Atlanta-arrest


Onderwerpen ‐ Voorlopige maatregelen
Artikelen ‐ Artikel 288 VWEU

De feiten

De Raad bepaalde in een verordening dat maar een bepaald aantal kilo bananen uit derdelanden geïmporteerd mocht worden door Europese bedrijven. Wanneer Duitsland de importmogelijkheden voor Atlanta beperkt gaat het bedrijf daartegen in beroep. Atlanta meent dat de verordening in strijd is met het EU recht, het geschil komt uiteindelijk voor de nationale rechter terecht die een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie stelt.

Rechtsvraag

1 Mag een nationale rechterlijke instantie die ernstige twijfel koestert omtrent de geldigheid van een Eu-verordening en om die reden het HvJ een prejudiciële vraag heeft gesteld over de geldigheid van die gemeenschapsverordening, bij wege van een voorlopige maatregel met betrekking tot een op die gemeenschapsverordening gebaseerde bestuurshandeling van een nationale instantie voor de periode tot aan de uitspraak van het Hof van Justitie een voorlopige organisatie of regeling van de omstreden rechtsposities of rechtsbetrekkingen vaststellen?
2 Onder welke voorwaarden mag de nationale rechter dergelijke voorlopige maatregelen treffen?

Overweging

Met betrekking tot vraag 1
Het Hof verwijst eerst terug naar overwegingen in het arrest Zuckerfabrik, waarin het oordeelde dat het bepaalde in artikel 288, tweede alinea, VWEU niet in de weg kan staan aan de rechtsbescherming die de justitiabelen krachtens het EU-recht toekomt. Ingeval de nationale instanties belast zijn met de administratieve uitvoering van gemeenschapsverordeningen, hebben de justitiabelen krachtens de door het gemeenschapsrecht gewaarborgde rechtsbescherming het recht om, bij wijze van incident, de wettigheid van deze verordeningen voor de nationale rechter te betwisten en hem te verzoeken, het Hof van Justitie ter zake prejudiciële vragen voor te leggen.

Het Hof stelt dat het voor de voorlopige bescherming die het gemeenschapsrecht de justitiabelen bij de nationale rechter biedt, geen verschil kan maken of zij de verenigbaarheid van het nationale recht met het gemeenschapsrecht dan wel de geldigheid van afgeleid gemeenschapsrecht betwisten, daar de betwisting in beide gevallen op het gemeenschapsrecht zelf berust.

Artikel 288 moet aldus worden uitgelegd, dat het voor de nationale rechter niet de bevoegdheid uitsluit, opschorting van de tenuitvoerlegging van een op een gemeenschapsverordening gebaseerde nationale bestuurshandeling te gelasten.

Voor de voorlopige bescherming die de nationale rechter de justitiabelen krachtens het gemeenschapsrecht moet bieden, kan het geen verschil maken of deze laatsten opschorting van de tenuitvoerlegging van een op een gemeenschapsverordening gebaseerde nationale bestuurshandeling vorderen, dan wel verzoeken om voorlopige maatregelen die voor hen een voorlopige organisatie of regeling van de omstreden rechtsposities of rechtsbetrekkingen vaststellen.

Het Hof concludeert dat artikel 288 VWEU aldus moet worden uitgelegd, dat het voor de nationale rechter niet de bevoegdheid uitsluit om bij wege van voorlopige maatregelen met betrekking tot een nationale bestuurshandeling die is gebaseerd op een gemeenschapsverordening waarvan de geldigheid in het kader van een prejudiciële verwijzing ter beoordeling staat, een voorlopige organisatie of regeling van de omstreden rechtsposities of rechtsbetrekkingen vast te stellen.

Met betrekking tot vraag 2
Voorlopige maatregelen met betrekking tot een nationale bestuurshandeling ter uitvoering van een EU-verordening mogen slecht worden getroffen:
° indien die rechter ernstige twijfel omtrent de geldigheid van de EU-verordening koestert en hij, wanneer de vraag betreffende de geldigheid van de betwiste handeling nog niet aan het Hof is voorgelegd, deze vraag zelf verwijst;
° indien de zaak spoedeisend is in die zin, dat voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de partij die erom verzoekt, ernstige en onherstelbare schade lijdt;
° indien de rechter naar behoren rekening houdt met het belang van de EU;
° indien de nationale rechter bij de beoordeling van al die voorwaarden de uitspraken van het Hof of het Gerecht van eerste aanleg over de wettigheid van de verordening, of een beschikking in kort geding waarbij op communautair vlak soortgelijke voorlopige maatregelen zijn getroffen, eerbiedigt.

Rechtsregel

In afwachting van het antwoord op een prejudiciële vraag over de geldigheid van een handeling van een van de organen van de EU is de nationale rechter bevoegd voorlopige maatregelen te treffen. Er moet dan wel aan een aantal voorwaarden voldaan zijn.

Relevante artikelen

Artikel 288 VWEU
Teneinde de bevoegdheden van de Unie te kunnen uitoefenen, stellen de instellingen verordeningen, richtlijnen, besluiten, aanbevelingen en adviezen vast.

Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Een richtlijn is verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd is, doch aan de nationale instanties wordt de bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen.

Een besluit is verbindend in al zijn onderdelen. Indien de adressaten worden vermeld, is het alleen voor hen verbindend.

Aanbevelingen en adviezen zijn niet verbindend.

Andere relevante jurisprudentie