CILFIT-arrest


Onderwerpen ‐ Prejudiciële vragen, de verplichting om vragen te stellen onder artikel 267(3) VWEU
Artikelen ‐ Artikel 267 VWEU

De feiten

Een aantal wolimporteurs en het Italiaanse ministerie van Volksgezondheid hebben een geschil over invoerrechten van wol uit derdelanden (niet-EUlanden) De importeurs beroepen zich op een verordening waarin het lidstaten verboden is heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen op “producten van dierlijke oorsprong”. Het ministerie stelt zich op het standpunt dat wol niet opgenomen is in de bijlage van de verordening.
Het ministerie leidt hieruit af dat er geen twijfel kan bestaan over de juist uitleg van de verordening en een prejudiciële verwijzing naar het Hof van Justitie is dan ook niet vereist. De importeurs stellen hiertegenover dat nu het een vraag betreft over de uitleg van een verordening die is opgeworpen voor een rechterlijke instantie waarvan de beslissing niet open staat voor hoger beroep, deze verplicht is een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie op grond van artikel 267 paragraaf 3.

Rechtsvraag

Is de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag onder artikel 267 paragraaf 3 absoluut?

Overweging

Het Hof van Justitie begint haar redenering door te stellen dat uit het verband tussen de tweede en derde alinea van artikel 267 volgt, dat de in de derde alinea bedoelde rechter over dezelfde beoordelingsbevoegdheid beschikt als elke andere nationale rechterlijke instantie bij de vraag of een beslissing op het punt van gemeenschapsrecht noodzakelijk is voor het wijzen van een vonnis. Deze rechter is derhalve niet gehouden een opgeworpen vraag over de uitleg van EU-recht te verwijzen naar het HvJ wanneer die vraag niet relevant is, dat wil zeggen wanneer het antwoord daarop, hoe het ook luidt, geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil. 

Is een beroep op het gemeenschapsrecht wel noodzakelijk voor de oplossing van het aanhangige geschil, dan legt artikel 267 de verplichting op elke uitleggingsvraag die zich voordoet, aan het HvJ voor te leggen.
In dit geschil werd de vraag opgeworpen of onder bepaalde omstandigheden de verplichting van artikel 267 derde alinea, grenzen kent.

Het Hof verwijst eerst naar haar overwegingen in de zaak Da Costa, daar overwoog zij dat het gezag van een reeds gegeven uitleg op grond van artikel 267, deze verplichting uit paragraaf 3 van haar grond kan beroven en derhalve van haar inhoud kan ontdoen. Dit is met name het geval, wanneer de opgeworpen vraag zakelijk gelijk is aan een vraag welke reeds in een gelijksoortig geval voorwerp van een prejudiciële beslissing is geweest. Dit soort gevallen wordt acte éclairé genoemd, een reeds opgehelderd geval.

Daarnaast stelt het Hof dat de juiste toepassing van het EU-recht zo evident kan zijn, dat redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost. Voordat de nationale rechter tot het besluit kan komen dat dit het geval is, dient hij ervan overtuigd te zijn dat die oplossing evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het Hof van Justitie. Alleen wanneer aan deze voorwaarden voldaan is, kan de nationale rechter ervan afzien de vraag aan het HvJ voor te leggen. Dit soort gevallen wordt acte clair genoemd, een geval dat geen uitleg behoeft.

Het Hof geeft nog een aantal overwegingen met betrekking tot de voorwaarde die aan deze beperking verbonden zijn. Het overweegt dat met betrekking tot deze overtuiging in aanmerking genomen moet worden dat de teksten van het EU-recht in verschillende talen zijn opgesteld en dat de verschillende taalversies gelijkelijk authentiek zijn. De uitlegging van een bepaling van EU-recht vereist dan ook een vergelijking van de verschillende taalversies.
Het Hof gaat verder, het merkt op dat zelfs wanneer de taalversies volledig overeenstemmen, het EU-recht een eigen terminologie bezigt. Bovendien hebben rechtsbegrippen in het gemeenschapsrecht niet noodzakelijkerwijs dezelfde inhoud als in de verschillende nationale rechtsstelsels.

Tenslotte geeft het Hof aan dat elke bepaling van EU-recht in haar context moet worden geplaatst en moet worden uitgelegd in het licht van dit recht in zijn geheel, zijn doelstellingen en ontwikkelingsstand op het moment waarop de betrokken bepaling moet worden toegepast.

Rechtsregel

Op de verplichting die is neergelegd in artikel 267 lid 3 om te verwijzen naar het Hof van Justitie in een prejudiciële procedure bestaan twee uitzonderingen, het geval van acte éclairé en het geval van acte clair. Hierbij is het eerste geval er een waar reeds antwoord op gegeven is, en het twee een geval dat zo helder is dat het geen uitleg behoeft.

Relevante artikelen

Artikel 267 VWEU (ten tijde van dit arrest artikel 177 EEG verdrag)
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen
a) over de uitlegging van de Verdragen,
b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie,

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof te wenden.

Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak.

Andere relevante jurisprudentie