Corus-arrest


Onderwerpen ‐ Enquêterecht
Artikelen ‐ art. 2:394a BW, art. 25 WOR, art. 26 WOR

Feiten

Het Corusconcern, Corus Group PLC en haar dochtervennootschappen, is in 1999 ontstaan uit een fusie van Britisch Steel en Koninklijke Hoogovens NV (nu Corus Nederland B.V.). Corus Nederland is een structuurvennootschap met een gematigd regime. In de statuten van Corus Nederland is bepaald dat voor het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking met een andere vennootschap eerst de goedkeuring van de RvC moet worden gevraagd. Corus Group PLC (de moedervennootschap) heeft op 23 oktober 2002 met Pechiney overeenstemming bereikt over de verkoop van bepaalde activiteiten van Corus Group aan Pechiney. Deze activiteiten worden nu nog uitgevoerd door Corus Nederland. In de koopovereenkomst is een boetebeding opgenomen als de overdracht niet vóór 14 maart 2003 plaatsvindt. De RvC en de centrale ondernemingsraad van Corus Nederland stemmen niet in met de verkoop. Corus Group PLC start daarop een enquêteprocedure. Corus Group PLC vraagt de Ok een onderzoeken in te laten stellen omdat er reden is om te twijfelen aan de juistheid van het gevoerde beleid van met name de RvC van Corus Nederland. Tevens wordt als voorlopige voorziening veroordeling van de RvC en de centrale ondernemingsraad tot het meewerken aan de verkoop van de activiteiten voor 14 maart 2003 gevorderd.

Rechtsvraag

Moet de RvC zich richten naar de belangen van de moedermaatschappij?

Overweging

“(…) In de eerste plaats is van belang dat het tot de taak van de Raad van Commissarissen van een tot een groep behorende vennootschap en meer in het bijzonder van een structuurvennootschap, ook die met een gemitigeerd regime, behoort om, meer dan het een bestuur van een vennootschap vrijstaat, aandacht te schenken aan de vraag of de belangen van de vennootschap door de concernleiding voldoende in de beschouwing zijn betrokken en op hun waarde zijn geschat, en of de maatregelen die zijn getroffen of de beslissingen die zijn genomen ter veiligstelling van die belangen adequaat en voldoende effectief zijn te achten. Met verzoeksters moet worden geoordeeld dat de Raad van Commissarissen van een vennootschap niet en in ieder geval niet zonder méér of ongemotiveerd een beleid mag voeren dat zich niet verdraagt met, althans geen rekening houdt met de concernstrategie en onder omstandigheden zal hebben te aanvaarden dat het belang van de vennootschap waarbij hij is ingesteld zal moeten worden ten achter gesteld bij het belang van het concern in zijn geheel. Anderzijds staat het de concernleiding niet vrij om steeds, althans zonder méér of ongemotiveerd de belangen van een vennootschap in het concern ten achter te stellen bij wat zij ziet als het belang van het concern (…).”

Rechtsregel

De RvC van een dochtermaatschappij dient zich bij de invulling van haar toezicht te richten naar het beleid en de strategie van de moedermaatschappij, waarbij zij aandacht dient te schenken aan de vraag of de belangen van de vennootschap door de concernleiding voldoende in de beschouwing zijn betrokken en op hun waarde zijn geschat. De moedermaatschappij mag de belangen van de dochtermaatschappij echter niet achterstellen bij de belangen van het concern. De beslissing van de RvC om de goedkeuring aan de transactie te onthouden, is gelet op alle omstandigheden van het geval niet onredelijk nu de RvC bij de motivering van zijn beslissing om de goedkeuring te onthouden het concernbelang weldegelijk heeft laten meewegen.

Relevante artikelen

Art. 2:394a BW:

1. De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. In afwijking van artikel 282 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de behandeling. De verzoekers en de rechtspersoon verschijnen hetzij bij advocaat, hetzij bijgestaan door hun advocaten. Alvorens te beslissen kan de ondernemingskamer ook ambtshalve getuigen en deskundigen horen.

2. Indien gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek, kan de ondernemingskamer in elke stand van het geding op verzoek van de indieners van het in artikel 345 bedoelde verzoek een zodanige voorziening treffen voor ten hoogste de duur van het geding. Artikel 357 lid 6 is van overeenkomstige toepassing.

3. Ingeval nog geen onderzoek is gelast, wordt een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de ondernemingskamer gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. De ondernemingskamer beslist daarna binnen een redelijke termijn op het verzoek als bedoeld in artikel 345.

Art. 25 WOR:

1. De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit tot: a. overdracht van de zeggenschap over de onderneming of een onderdeel daarvan;

b. het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de zeggenschap over, een andere onderneming, alsmede het aangaan van, het aanbrengen van een belangrijke wijziging in of het verbreken van duurzame samenwerking met een andere onderneming, waaronder begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve van een dergelijke onderneming;

c. beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van een belangrijk onderdeel daarvan;

d. belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van de onderneming;

e. belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming, dan wel in de verdeling van bevoegdheden binnen de onderneming;

f. wijziging van de plaats waar de onderneming haar werkzaamheden uitoefent;

g. het groepsgewijze werven of inlenen van arbeidskrachten;

h. het doen van een belangrijke investering ten behoeve van de onderneming;

i. het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van de onderneming;

j. het verstrekken van een belangrijk krediet en het stellen van zekerheid voor belangrijke schulden van een andere ondernemer, tenzij dit geschiedt in de normale uitoefening van werkzaamheden in de onderneming;

k. invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening;

l. het treffen van een belangrijke maatregel in verband met de zorg van de onderneming voor het milieu, waaronder begrepen het treffen of wijzigen van een beleidsmatige, organisatorische en administratieve voorziening in verband met het milieu;

m. vaststelling van een regeling met betrekking tot het zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

n. het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming betreffende een der hiervoor bedoelde aangelegenheden.

Het onder b bepaalde, alsmede het onder n bepaalde, voor zover dit betrekking heeft op een aangelegenheid als bedoeld onder b, is niet van toepassing wanneer de andere onderneming in het buitenland gevestigd is of wordt en redelijkerwijs niet te verwachten is dat het voorgenomen besluit zal leiden tot een besluit als bedoeld onder c-f ten aanzien van een onderneming die door de ondernemer in Nederland in stand wordt gehouden.

2. De ondernemer legt het te nemen besluit schriftelijk aan de ondernemingsraad voor. Het advies moet op een zodanig tijdstip worden gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.

3. Bij het vragen van advies wordt aan de ondernemingsraad een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit, alsmede van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen.

4. De ondernemingsraad brengt met betrekking tot een voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid geen advies uit dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste éénmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Ten aanzien van de bespreking van het voorgenomen besluit in de overlegvergadering is artikel 24, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

5. Indien na het advies van de ondernemingsraad een besluit als in het eerste lid bedoeld wordt genomen, wordt de ondernemingsraad door de ondernemer zo spoedig mogelijk van het besluit schriftelijk in kennis gesteld. Indien het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel is gevolgd, wordt aan de ondernemingsraad tevens meegedeeld, waarom van dat advies is afgeweken. Voor zover de ondernemingsraad daarover nog niet heeft geadviseerd, wordt voorts het advies van de ondernemingsraad ingewonnen over de uitvoering van het besluit.

6. Tenzij het besluit van de ondernemer overeenstemt met het advies van de ondernemingsraad, is de ondernemer verplicht de uitvoering van zijn besluit op te schorten tot een maand na de dag waarop de ondernemingsraad van het besluit in kennis is gesteld. De verplichting vervalt wanneer de ondernemingsraad zulks te kennen geeft.

Art. 26 WOR:

1. De ondernemingsraad kan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam beroep instellen tegen een besluit van de ondernemer als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, hetzij wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de ondernemingsraad, hetzij wanneer feiten of omstandigheden bekend zijn geworden, die, waren zij aan de ondernemingsraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht.

2. Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift, binnen een maand nadat de ondernemingsraad van het in het eerste lid bedoelde besluit in kennis is gesteld.

3. De ondernemer wordt van het ingestelde beroep in kennis gesteld.

4. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld ter zake dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.

5. De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed. Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve, deskundigen, alsmede in de onderneming werkzame personen horen. Indien de ondernemingskamer het beroep gegrond bevindt, verklaart zij dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het betrokken besluit had kunnen komen. Zij kan voorts, indien de ondernemingsraad daarom heeft verzocht, een of meer van de volgende voorzieningen treffen: a. het opleggen van de verplichting aan de ondernemer om het besluit geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te wijzen gevolgen van dat besluit ongedaan te maken;

b. het opleggen van een verbod aan de ondernemer om handelingen te verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of van onderdelen daarvan.

Een voorziening van de ondernemingskamer kan door derden verworven rechten niet aantasten.

6. Het is verboden een verplichting of een verbod als bedoeld in het vorige lid niet na te komen, onderscheidenlijk te overtreden.

7. De ondernemingskamer kan haar beslissing op een verzoek tot het treffen van voorzieningen voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien beide partijen daarom verzoeken, dan wel indien de ondernemer op zich neemt het besluit waartegen beroep is ingesteld, in te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het besluit ongedaan te maken.

8. Nadat het verzoekschrift is ingediend kan de ondernemingskamer, zo nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen treffen. Het vijfde lid, vierde en vijfde volzin, en het zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

9. Van een beschikking van de ondernemingskamer staat uitsluitend beroep in cassatie open.

Andere relevante jurisprudentie

Hof Datum Vindplaats Naam Onderwerp
HR 19/05/1989 NJ 1989, 652 Dekker/Lucas Vereniging Vordering tot nietig verkla... +
HR 31/12/1993 NJ 1994, 436 Van den Berge/Verenigde Boo... Gelijkheidsbeginsel van aan... +
HR 19/02/1969 NJ 1960, 473 Aurora Stemovereenkomst +
HR 20/09/1996 NJ 1997, 149 Playland Doeloverschrijding +
HR 17/12/1982 NJ 1983, 480 Bibolini Vertegenwoordiging, geldigh... +
HR 05/01/1979 NJ 1979, 319 Slijkerman Vertegenwoordiging, misbrui... +
HR 15/07/1968 NJ 1969, 101 Wijsmuller Besluitvorming +
HR 14/12/2007 NJ 2008, 105 DSM Gelijkheidsbeginsel van aan... +
Ok 17/01/2007 JOR 2007/42 Stork Beschermingsconstructie bij... +
HR 09/07/2010 NJ 2010, 544 ASMI Raad van Commissarissen +
HR 08/04/2005 NJ 2006, 443 Laurus Enquêterecht, wanbeleid, be... +
Rb. Ar... 28/12/1987 KG 1988, 37 Amstelland Concernfinanciering, hoofde... +
HR 21/12/2001 JOR 2002/38 SOBI/Hurks II Bestuurdersaansprakelijkhei... +
HR 19/02/1988 NJ 1988, 487 Albada Jelgersma Concernverhoudingen, doorbr... +
HR 26/01/1994 NJ 1994, 545 Heuga Concernverhoudingen +
HR 07/02/1992 NJ 1992, 438 Astro/Pierson Doeloverschrijding, tegenst... +
HR 25/09/1981 NJ 1982, 443 Osby Aansprakelijkheid moederven... +
Rb 11/03/1983 NJ 1984, 394 Kuiken Brabant Concernverhoudingen, kennel... +
HR 11/09/2009 NJ 2009, 565 Comsys Bestuurdersaansprakelijkhei... +
HR 10/01/1990 NJ 1990, 466 OGEM Holding Enqueterecht +
HR 09/07/2014 NJ 1991, 51 Sluis BV dividenduitkering, enquêtep... +
HR 18/04/2003 NJ 2003, 286 RNA/Westfield Beschermingsconstructie bij... +
Ok 20/04/1989 NJ 1991, 205 Best Golf & Country BV Geschillenregeling, recht v... +
HR 02/05/1997 NJ 1997, 740 Kip/Rabobank Winterswijk Afgeleide schade bij een aa... +
HR 13/07/2007 NJ 2007, 434 ABN Amro/VEB Verkoop van de vennootschap +