Commissie v. Griekenland-arrest


Onderwerpen ‐ Verplichtingen lidstaat onder artikel 260 VWEU
Artikelen ‐ Artikel 260 VWEU

De feiten

De Commissie is van mening dat Griekenland niet voldaan heeft aan de op haar rustende verplichting te voldoen aan een uitspraak gewezen door het Hof van Justitie krachtens een artikel 259 VWEU procedure. Nu verzoekt de Commissie middels een artikel 260 VWEU procedure aan het Hof van Justitie tot vaststelling van het niet-nakomen door Griekenland en het opleggen van een dwangsom.

Rechtsvraag

Heeft Griekenland voldaan aan de op haar rustende verplichting krachtens een eerder gewezen arrest?

Overweging

Het Hof herhaalt eerst de eerste procedure die de Commissie op gang bracht, toen zij constateerde dat Griekenland handelde in strijd met een milieurichtlijn. Die procedure werd afgesloten voor het Hof van Justitie, wat voor recht verklaarde dat “door niet de nodige maatregelen te nemen om te verzekeren dat in het gebied van Chania afvalstoffen en toxische en gevaarlijke afvalstoffen worden verwijderd zonder gevaar op te leveren voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu, en door voor dat gebied geen plannen of programma's voor de verwijdering van afvalstoffen en toxische en gevaarlijke afvalstoffen op te stellen, de Helleense Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 4 en 6 van richtlijn 75/442/ EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, en de artikelen 5 en I - 5099 ARREST VAN 4. 7. 2000 — ZAAK C-387/97 12 van richtlijn 78/319/EEG van de Raad van 20 maart 1978 betreffende toxische en gevaarlijke afvalstoffen."

Na argumenten en documenten van beide partijen naast elkaar gelegd en afgewogen te hebben komt het Hof tot de conclusie dat de Helleense Republiek, door niet de noodzakelijke maatregelen te hebben genomen voor de verwijdering van de afvalstoffen in het gebied van Chania zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu, overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 75/442, en door voor dit gebied geen plannen voor de verwijdering van afvalstoffen als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 75/442 en geen programma's voor de verwijdering van toxische en gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 12 van richtlijn 78/319 te hebben opgesteld, niet alle maatregelen heeft genomen die de uitvoering van het genoemde arrest Commissie/Griekenland meebrengt, en de krachtens artikel 260 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.

Het Hof overweegt met betrekking tot de dwangsom die de Commissie op wil laten leggen dat bij gebreke van bepalingen in het Verdrag moet worden erkend, dat de Commissie, in het bijzonder ter verzekering van de gelijke behandeling van de lidstaten, richtsnoeren kan vaststellen voor de berekeningswijze van de forfaitaire bedragen of de dwangsommen die zij het Hof wil voorstellen.
Bij het bepalen van het bedrag van de boete of de dwangsom moet het doel van deze sanctie voorop staan, namelijk het waarborgen van de effectieve toepassing van het EU-recht. Naar de mening van de Commissie moeten daarbij drie fundamentele criteria in aanmerking worden genomen, te weten de ernst van de inbreuk, de duur van de inbreuk, en de nodige afschrikkende werking van de sanctie teneinde een einde te maken aan de inbreuk en herhaling ervan te vermijden.
De Commissie zet de bij de berekening van het bedrag van de dwangsom te gebruiken variabelen uiteen als zijnde, een gelijk forfaitair basisbedrag, een coëfficiënt voor de ernst en een coëfficiënt voor de duur, alsmede een factor waarmee de financiële draagkracht van de lidstaat wordt weergegeven, waarbij ernaar wordt gestreefd, dat de op basis van het bruto binnenlands product van de lidstaten en op de stemmenweging in de Raad berekende dwangsom zowel evenredig is alsook afschrikkend werkt.

Het Hof oordeelt, op aanraden van de Commissie dat de basiscriteria die in aanmerking moeten worden genomen om het dwingende karakter van de dwangsom met het oog op de eenvormige en werkzame toepassing van het EU-recht te verzekeren, in beginsel de duur van de inbreuk, de mate van de ernst ervan en de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat. Bij de toepassing van deze criteria dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met de gevolgen van de verzuimde uitvoering voor de particuliere en de publieke belangen en met de spoedeisendheid waarmee de betrokken lidstaat moet worden aangezet om zijn verplichtingen na te komen.

Rechtsregel

N.v.t. in deze zaak. Antwoord dat het Hof gaf op de vraag van de Commissie was dat Griekenland inderdaad niet had voldaan aan de op haar rustende verplichtingen en legde op verzoek van de Commissie een dwangsom op.

Relevante artikelen

Artikel 260 VWEU
1. Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie vaststelt dat een lidstaat een der krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, is deze staat gehouden die maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof.
2. Indien de Commissie van oordeel is dat de betrokken lidstaat niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan het arrest van het Hof, kan zij, nadat zij deze staat de mogelijkheid heeft geboden zijn opmerkingen in te dienen, de zaak voor het Hof brengen. De Commissie vermeldt het bedrag van de door de betrokken lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom die zij in de gegeven omstandigheden passend acht.
Indien het Hof vaststelt dat de betrokken lidstaat zijn arrest niet is nagekomen, kan het deze staat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen.
Deze procedure geldt onverminderd het bepaalde in artikel 259.
3. Wanneer de Commissie bij het Hof een zaak aanhangig maakt op grond van artikel 258 omdat zij van oordeel is dat de betrokken lidstaat zijn verplichting tot mededeling van maatregelen ter omzetting van een volgens een wetgevingsprocedure aangenomen richtlijn niet is nagekomen, kan de Commissie, indien zij dit passend acht, aangeven wat haars inziens gezien de omstandigheden een redelijke hoogte is voor de door deze lidstaat te betalen forfaitaire som of dwangsom.
Indien het Hof de niet-nakoming vaststelt, kan het de betrokken lidstaat de betaling van een forfaitaire som of een dwangsom opleggen die niet hoger is dan de Commissie heeft aangegeven.
De verplichting tot betaling gaat in op de door het Hof in zijn arrest bepaalde datum.

Andere relevante jurisprudentie