Baumbast-arrest


Onderwerpen ‐ Burgerschap van de Europese Unie
Artikelen ‐ Artikel 21 lid 1 VWEU, artikel 45 lid 1 VWEU, artikel 12 Richtlijn 1612/68

De feiten

De heer Baumbast, die de Duitse nationaliteit heeft, is in 1990 gehuwd in het Verenigd Koninkrijk met een Colombiaanse, nu mevrouw Baumbast, het gezin bestaat uit twee dochters waarvan één de Colombiaanse nationaliteit bezit en één zowel de Duitse als Colombiaanse. In juni 1990 krijgt het hele gezin een verblijfsvergunning in Engeland voor vijf jaar. Van 1990 tot 1993 werkt de heer Baumbast in het Verenigd Koninkrijk, daarna werkt hij voor een Duits bedrijf in China en Lesotho. Mevrouw Baumbast en de kinderen wonen al die tijd in Engeland waar de kinderen ook naar school gaan. Wanneer mevrouw Baumbast een permanente verblijfsvergunning aan wil vragen voor het gezin, wordt deze geweigerd. Wanneer het tot een rechtszaak komt worden een aantal prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU, waarvan er hier twee behandeld zullen worden.

Rechtsvraag

1 Zijn de kinderen van een burger van de Europese Unie die zelf dergelijke burgers zijn en lager onderwijs hebben gevolgd terwijl hun vader (of ouder) verblijfsrechten uitoefende als werknemer in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, gerechtigd om in het gastland te verblijven om er algemeen onderwijs te volgen?

2 Heeft de heer Baumbast, gelet op de feitelijke omstandigheden van de zaak, als burger van de EU volgens artikel 21 VWEU een rechtstreeks werkend verblijfsrecht in een andere lidstaat wanneer hij volgens artikel 45 VWEU geen verblijfsrecht meer heeft als werknemer en volgens geen enkele andere communautaire bepaling voor een verblijfsvergunning in het gastland in aanmerking komt?

Overweging

Met betrekking tot de eerste vraag
Het Hof redeneert dat in omstandigheden als die aan de zaak Baumbast ten grondslag liggen, een burger van de Europese Unie, indien zijn kind werd belet in het gastland de school te blijven bezoeken doordat het geen verblijfsvergunning kreeg, ervan zou kunnen worden weerhouden de in artikel 45 VWEU bepaalde rechten van vrij verkeer uit te oefenen. Dit zou een belemmering van het feitelijke gebruik van de aldus door het VWEU gewaarborgde vrijheid opleveren. 

Het Hof concludeert dat kinderen van een EU burger die zich in een lidstaat hebben gevestigd terwijl hun ouder in die lidstaat rechten van verblijf als migrerend werknemer uitoefende, volgens artikel 12 van verordening 1612/68 aldaar mogen verblijven om er algemeen onderwijs te volgen. Het feit dat de ouders van die kinderen inmiddels zijn gescheiden, dat slechts één van de ouders burger van de Unie is en die ouder in het gastland niet langer migrerende werknemer is, of dat de kinderen zelf geen burger van de Unie zijn, heeft daarop geen enkele invloed.

Met betrekking tot de tweede vraag
De status van burger van de Europese Unie in het VWEU is ingevoerd en artikel 21 VWEU verleent elke burger het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven en te reizen.
Het in artikel 21 VWEU bepaalde recht om op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, wordt door een duidelijke en nauwkeurige bepaling van het VWEU rechtstreeks toegekend aan iedere burger van de Unie.

Dit verblijfsrecht van burgers van de Unie op het grondgebied van een andere lidstaat wordt toegekend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het VWEU en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.
Deze beperkingen en voorwaarden moeten evenwel worden toegepast met inachtneming van de grenzen die het gemeenschapsrecht stelt en overeenkomstig de algemene beginselen ervan, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. Het antwoord op de tweede vraag is aldus ja.

Rechtsregel

Burgers van de Europese Unie kunnen een direct reisrecht en verblijfsrecht ontlenen aan die status op grond van het VWEU.

Relevante artikelen

Artikel 21 lid 1VWEU (ten tijde van dit arrest artikel 18 lid 1 VEG)
Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

Artikel 45 lid 1 VWEU (ten tijde van dit arrest artikel 39 VEG)
Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij.

Artikel 12 van richtlijn 1612/68
De kinderen van een onderdaan van een lidstaat, die op het grondgebied van een andere lidstaat arbeid verricht of heeft verricht, worden, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding.

De lidstaten moedigen de initiatieven aan, waardoor deze kinderen dit onderwijs inzo gunstig mogelijke omstandigheden kunnen volgen.

Andere relevante jurisprudentie