DSM-arrest


Onderwerpen ‐ Gelijkheidsbeginsel van aandeelhouders, onmiddellijke voorzieningen Ondernemingskamer
Artikelen ‐ art. 2:92 BW, art. 2:345 BW.

Feiten

DSM was van plan een loyaliteitsplan in te voeren dat trouwe aandeelhouders extra recht op dividend zou geven. Dit zou voor DSM een aantal voordelen opleveren, waaronder het verkrijgen van inzicht in aan wie de aandelen zijn geregistreerd en de bevordering van het langetermijnaandeelhouderschap. Een aantal beleggingsfondsen, beheerd door Franklin die gesteund werd door de Vereniging van Effectenbezitters (VEB), wendde zich tot de Ok om te voorkomen dat het loyaliteitsplan zou worden ingevoerd. Zij verzochten de Ok een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van DSM ten aanzien van het loyaliteitsdividend en de invoering daarvan te verbieden. De Ok verbood DSM bij onmiddellijke voorziening tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders te stemmen over de invoering van het loyaliteitsdividend.

Rechtsvraag

1.Mogen aan bepaalde aandeelhouders extra rechten worden toegekend?

2.Wanneer mag de Ok onmiddellijke voorzieningen treffen?

Overweging

“(…) 3.3 Het middel voert terecht aan dat deze oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 2:92 lid 1 BW. De daarin opgenomen hoofdregel dat aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen zijn verbonden, is van regelend recht, nu daarvan in de statuten kan worden afgeweken. Uit de tekst en de strekking van deze bepaling volgt niet dat een statutaire afwijking van deze hoofdregel slechts mogelijk is met betrekking tot aandelen van een bepaalde soort. In het bijzonder schrijft art. 2:92 lid 1, gelezen in verband met het bepaalde in art. 2:105 BW, niet dwingend voor dat aan aandelen van dezelfde soort altijd in omvang gelijke aanspraken op dividend moeten zijn verbonden. Art. 2:92 lid 1 verzet zich daarom niet tegen een regeling in de statuten waarbij aan geregistreerde aandeelhouders onder bepaalde voorwaarden een financiële uitkering, bijvoorbeeld in de vorm van een aanvullend dividend, wordt toegekend, mits deze regeling geen schending oplevert van het in art. 2:92 lid 2 BW neergelegde gelijkheidsbeginsel.

3.6 Nu de in art. 2:349a lid 2 aan de ondernemingskamer gegeven bevoegdheid tot het treffen van een onmiddellijke voorziening wordt uitgeoefend in een geding betreffende een verzoek als bedoeld in art. 2:345, moet in beginsel eerst worden beoordeeld of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen.

De wetgever heeft echter niet uitgesloten dat de ondernemingskamer van deze bevoegdheid gebruik maakt voordat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist, en dus vooruitlopend op een definitief oordeel daarover. Niettemin zal in dit stadium van die bevoegdheid slechts een terughoudend gebruik kunnen worden gemaakt. In dit stadium kan immers slechts aan de hand van een beperkt partijdebat voorlopig worden beoordeeld of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen. Voorts dient ook in dit stadium van het geding in het oog te worden gehouden dat te zijner tijd, afhankelijk van de uitkomsten van een eventueel in te stellen onderzoek, voor het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon. In elk geval zal de ondernemingskamer bij de uitoefening van haar bevoegdheid voldoende rekening moeten houden met, en een billijke afweging moeten maken van, de belangen van betrokken partijen (HR 19 oktober 2001, nr. OK85, NJ 2002, 92). Een en ander brengt mee dat van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan. (…).”

Rechtsregel

1.Art. 2:92 lid 1 BW verzet zich niet tegen een statutaire regeling waarbij aan geregistreerde aandeelhouders onder bepaalde voorwaarden een financiële uitkering, bijvoorbeeld aanvullend dividend, wordt toegekend, mits deze regeling geen schending oplevert van het gelijkheidsbeginsel ex art. 2:92 lid 2 BW.

2.De Ok mag van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat wordt beslist op het verzoek tot het houden van een enquête slechts gebruik maken indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan.

Relevante artikelen

Art. 2:92 BW:

1.Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, zijn aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen verbonden.

2.De naamloze vennootschap moet de aandeelhouders onderscheidenlijk certificaathouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden, op dezelfde wijze behandelen.

3.De statuten kunnen bepalen dat aan aandelen van een bepaalde soort bijzondere rechten als in de statuten omschreven inzake de zeggenschap in de vennootschap zijn verbonden.

Art. 2:345 BW:

1.Op schriftelijk verzoek van degenen die krachtens de artikelen 346 en 347 daartoe bevoegd zijn, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam een of meer personen benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of een bepaald tijdvak. Onder het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon zijn mede begrepen het beleid en de gang van zaken van een commanditaire vennootschap of een vennootschap onder firma waarvan de rechtspersoon volledig aansprakelijke vennoot is.

2.De advocaat-generaal bij het ressortsparket kan om redenen van openbaar belang een verzoek doen tot het instellen van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid. Hij kan ter voorbereiding van een verzoek een of meer deskundige personen belasten met het inwinnen van inlichtingen over het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. De rechtspersoon is verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en desgevraagd ook inzage in zijn boeken en bescheiden te geven aan de deskundigen.

Andere relevante jurisprudentie

Hof Datum Vindplaats Naam Onderwerp
Ok 17/01/2007 JOR 2007/42 Stork Beschermingsconstructie bij... +
HR 31/12/1993 NJ 1994, 436 Van den Berge/Verenigde Boo... Gelijkheidsbeginsel van aan... +
HR 11/07/2003 NJ 2003, 630 Bas-C (Hermsen q.q./De Bont) Storting op aandelen bij ee... +
HR 09/07/2014 NJ 1991, 51 Sluis BV dividenduitkering, enquêtep... +
HR 30/10/1964 NJ 1965, 107 Mante/Internationaal Automo... Wijze van oproepen voor aan... +
HR 02/05/1997 NJ 1997, 740 Kip/Rabobank Winterswijk Afgeleide schade bij een aa... +
HR 18/04/2003 NJ 2003, 286 RNA/Westfield Beschermingsconstructie bij... +
HR 27/11/2009 JOR 2010, 43 World Online Misleiding, prospectusaansp... +
HR 20/06/2008 NJ 2009/21 Willemsen/NOM Bestuurdersaansprakelijkhei... +
HR 21/01/1955 NJ 1959, 43 Forumbank Instructiebevoegdheid ava +
HR 16/10/1984 NJ 1985, 375 Sjardin Besluiten van de ava, ontsl... +
HR 19/02/1969 NJ 1960, 473 Aurora Stemovereenkomst +
Rb 11/03/1983 NJ 1984, 394 Kuiken Brabant Concernverhoudingen, kennel... +
HR 08/11/1991 NJ 1992, 174 Nimox Dividenduitkering, failliss... +
HR 19/05/1989 NJ 1989, 652 Dekker/Lucas Vereniging Vordering tot nietig verkla... +
HR 20/09/1996 NJ 1997, 149 Playland Doeloverschrijding +
HR 17/12/1982 NJ 1983, 480 Bibolini Vertegenwoordiging, geldigh... +
HR 05/01/1979 NJ 1979, 319 Slijkerman Vertegenwoordiging, misbrui... +
HR 15/07/1968 NJ 1969, 101 Wijsmuller Besluitvorming +
Ok 13/03/2003 NJ 2003, 248 Corus Enquêterecht +
HR 10/01/1990 NJ 1990, 466 OGEM Holding Enqueterecht +
HR 08/04/2005 NJ 2006, 443 Laurus Enquêterecht, wanbeleid, be... +
Ok 20/04/1989 NJ 1991, 205 Best Golf & Country BV Geschillenregeling, recht v... +