Brandstichting Frieslandhallen-arrest


Onderwerpen ‐ Causaal verband inkomensschade
Artikelen ‐ Art. 6:98 BW

Feiten
Op een nacht in november 1996 is er brand ontstaan in het veemarktcomplex in de Frieslandhallen. Dit kwam doordat minderjarige kinderen een brandje hadden gesticht in een hooiberg achter het complex en dit niet geheel hadden geblust. Boekema dreef tot het moment van de brand een horecaonderneming in de Frieslandhallen en had daartoe een ruimte gehuurd in de hallen. Na de brand heeft Boekema voor ongeveer een half jaar zijn onderneming voortgezet in een noodvoorziening. Er was een geschil tussen de Frieslandhallen en Boekema waardoor geen nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen tussen hen. Een half jaar na de brand is de onderneming van Boekema opgeheven. Boekema stelt de ouders van de kinderen aansprakelijk en deze hebben aansprakelijkheid erkend. Het punt van geschil is de door Boekema opgegeven inkomensschade.

Rechtsvraag
Moeten de ouders de inkomensschade die Boekema heeft geleden doordat hij als gevolg van een tussen hem en de Frieslandhallen gerezen geschil geen nieuwe huurovereenkomst met de Frieslandhallen heeft kunnen sluiten en daardoor niet langer tegen zeer gunstige voorwaarden zijn horecaonderneming kon blijven voortzetten, vergoeden?

Overweging
“3.4.3 (…)In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat als gevolg van de brand het door Boekema gehuurde is tenietgegaan, waardoor op grond van het destijds geldende art. 7A:1589 BW, de huurovereenkomst van rechtswege is geëindigd. Dit rechtsgevolg en de daaruit voortvloeiende inkomensschade dienen als gevolg van de brand aan de ouders te worden toegerekend. Bij dit uitgangspunt kan het enkele feit dat Boekema en FEC, naar het hof heeft aangenomen als gevolg van een tussen hen gerezen geschil, geen nieuwe huurovereenkomst hebben gesloten en Boekema daardoor zijn bedrijf niet heeft kunnen voortzetten, niet afdoen aan de omvang van de door de brand gevestigde verplichting van de ouders tot schadevergoeding. Zoals het hof terecht heeft onderkend, staat de inkomensschade die Boekema heeft geleden en lijdt als gevolg van het niet sluiten van een nieuwe huurovereenkomst, in condicio sine qua non-verband tot de brand. Voorts is die inkomensschade, anders dan het hof heeft aangenomen, naar zijn aard in het algemeen gesproken het alleszins voorzienbare gevolg van een brand als de onderhavige. De omstandigheid dat (de omvang van) die inkomensschade mede wordt bepaald doordat Boekema niet langer in staat is tegen zeer gunstige voorwaarden een uiterst lucratief cafébedrijf te exploiteren, maakt dat niet anders. Er is dan ook geen grond het niet sluiten van een nieuwe huurovereenkomst aan te merken als een schadeoorzaak die voor rekening van Boekema behoort te blijven, in dier voege dat de daardoor veroorzaakte inkomensschade niet aan de ouders als gevolg van de brand zou behoren te worden toegerekend. Noch de aard van de aansprakelijkheid van de ouders noch de rol van hun kinderen bij het ontstaan van de brand doet hieraan af.”

Rechtsregel
Als inkomensschade in condicio sine qua non-verband staat tot de schadeveroorzakende gebeurtenis en naar zijn aard in het algemeen gesproken het alleszins voorzienbare gevolg van die gebeurtenis is, moet die schade worden vergoed.

Relevante artikelen
Artikel 6:98 BW
Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

Andere relevante jurisprudentie