United Brands-arrest


Onderwerpen ‐ Mededinging
Artikelen ‐ Artikel 102 VWEU

De feiten

United Brands handelt in bananen en werd door de Commissie beschuldigd van machtsmisbruik, de Commissie vaardigt een beschikking uit tegen United Brands (UB) omdat ze gehandeld zou hebben in strijd met artikel 102 VWEU. UB is het hiermee niet eens en een groot deel van de discussie gaat over de definitie van relevante productmarkt. United Brands vraagt uiteindelijk om een nietigverklaring van de beschikking bij het Hof van Justitie.

Rechtsvraag

1 Hoe moet de relevante markt gedefinieerd worden?
2 Hoe moet de geografische markt gedefinieerd worden?

Overweging

Met betrekking tot vraag 1
Het Hof begint met de overweging dat de banaan, om als product van een voldoende gedifferentieerde markt te kunnen gelden, zich op grond van haar bijzondere kwaliteiten dermate duidelijk van andere verse vruchten moet onderscheiden, dat vervanging door die andere vruchten slechts in beperkte mate mogelijk is en de concurrentie ervan nauwelijks merkbaar.

Het hof stelt dan dat de bananenmarkt geen significante kruislingse elasticiteit op lange termijn vertoon als een seizoensgebonden vervangbaarheid in het algemeen tussen bananen en seizoensvruchten. Deze doet zich enkel voor bij bananen en twee soorten vruchten (perziken en tafeldruiven) in één van de landen (Duitsland) van de relevante geografische markt.

Wat betreft de twee vruchten die het hele jaar door beschikbaar zijn (sinaasappels en appels), doet zich bij de eerste geen vervanging voor en bestaat bij de tweede slechts een geringe substitueerbaarheid.
Deze beperkte substitueerbaarheid is het gevolg van de bijzondere eigenschappen van de banaan en van alle factoren die de keuze van de consument beïnvloeden.
De banaan, door haar uiterlijk, smaak en zachtheid alsmede door het feit dat zij geen pitten bevat, is gemakkelijk handelbaar. Zij wordt in gelijkmatige hoeveelheden geproduceerd en kan voorzien in de constante behoeften van een grote bevolkingsgroep bestaande uit kinderen, ouderen en zieken.

De bananenprijs daalt enkel in de zomermaanden (voornamelijk juli), met maximaal 20%, onder invloed van de lage prijzen van andere vruchten, namelijk perziken en tafeldruiven.

Het Hof overweegt dat blijkens het voorgaande een grote groep consumenten met een blijvende behoefte aan bananen zich door het feit dat andere verse vruchten op de markt verschijnen, niet in merkbare mate ervan laat weerhouden bananen te kopen.

Gevolg dat het Hof hieruit trekt is dat de bananenmarkt een markt is die zich voldoende onderscheidt van die van andere verse vruchten.

Met betrekking tot vraag 2
Het Hof overweegt dat de toepassing van artikel 102 VWEU op een onderneming met een machtspositie onder meer een duidelijke omschrijving onderstelt van het wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, waar die onderneming eventueel in staat is op onrechtmatige wijze een daadwerkelijke mededinging te verhinderen, en waar de objectieve mededingingsvoorwaarden voor het betrokken product voor alle handelaren gelijk moeten zijn.

De Europese Unie heeft geen gemeenschappelijke marktordening in de sector bananen ingesteld, als gevolg hiervan vertonen de invoerregelingen van de verschillende landen grote verschillen.

Doordat in Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk bananen uit (voormalige) koloniën worden ingevoerd onder gunstige voorwaarden kunnen de bananen van United Brands niet concurreren. Hierdoor zijn deze nationale markten niet meegenomen door de Commissie in de bepaling van de geografische markt.

Hier staat tegenover dat de zes overige lidstaten ondanks de verschillende tariefbepalingen en de uiteenlopende vervoerskosten een volkomen vrije markt vormen, waarde mededingingsvoorwaarden voor eenieder gelijk zijn.
Deze zes staten zijn voor wat de mogelijkheid van vrije concurrentie betreft voldoende homogeen om als een geheel te worden beschouwd.

Rechtsregel

In dit geval was de geografische markt zoals de Commissie deze beschreef de relevante markt voor de beoordeling van de mededinging.

Relevante artikelen

Artikel 102 VWEU
Onverenigbaar met de interne markt en verboden, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een wezenlijk deel daarvan.

Dit misbruik kan met name bestaan in:
a) het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;
b) het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;
c) het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
d) het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Andere relevante jurisprudentie