Leune Bouw/Hoogheemraadsch. Schieland en Krimpenerwaard-arrest


Onderwerpen ‐ Verkrijgende verjaring
Artikelen ‐ art. 3:105 BW, art. 3:107 BW, art. 3:108 BW, art. 3:112 BW, art. 3:113 BW, art. 3:306 BW

Feiten

De Zuidplaspolder (destijds de rechtsvoorgangster van het Hoogheemraadschap) heeft in 1972 een perceel gekocht voor het uitvoeren van een plan tot verbetering van de waterbeheersing. Volgens de koopovereenkomst mocht de Zuidplaspolder het perceel in gebruik nemen zodra dat nodig was voor haar plan. De transportakte zou vervolgens worden opgemaakt zodra De Zuidplaspolder dit wenste. Meteen na de koop is het perceel in gebruik genomen. Er werd een gemaal gerealiseerd en er werd bestrating en omheining aangelegd. Het perceel is echter nooit daadwerkelijk aan de Zuidplaspolder geleverd. Wel is in 1973 de koopprijs voldaan. In 1998 heeft de oorspronkelijk verkoper het gehele perceel verkocht aan een derde. In 2005 stelt het Hoogheemraadschap dat zij sinds 1972 het onafgebroken bezit van het perceel heeft gehad en daarvan door verjaring eigenaar is geworden.

Rechtsvraag

Is het Hoogheemraadschap eigenaar van het perceel geworden door verkrijgende verjaring?

Overweging

“(…) Het onderdeel faalt reeds omdat het uitgaat van een opvatting die in haar algemeenheid niet kan worden aanvaard. Het miskent immers dat zich gevallen kunnen voordoen dat de koper krachtens de rechtsverhouding met de verkoper jegens deze gerechtigd is, vooruitlopend op de levering van het verkochte, zich daarover de feitelijke macht te verschaffen en op deze op een zodanige wijze uit te oefenen dat naar de in het verkeer geldende opvattingen de koper moet worden beschouwd als bezitter van het verkochte. Het oordeel van het hof moet tegen die achtergrond worden begrepen. Het komt erop neer dat onder de gegeven omstandigheden sprake was van verkrijging van het bezit van het verkochte perceel door Zuidplaspolder door inbezitneming. Daartoe baseerde het hof zich op de omstandigheden dat de Zuidplaspolder zich in alle opzichten en ook naar buiten toe ging gedragen als rechthebbende op het perceel, zulks deed met instemming van de verkopers in afwachting van de levering en met het in de koopovereenkomst genoemde doel van de koop, te weten het uitvoeren van een plan tot verbetering van de waterbeheersing. Aldus geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (…).”

Rechtsregel

Onder omstandigheden kan een koper, vooruitlopend op de levering, het verkochte feitelijk in bezit nemen. Degene die op deze wijze bezit heeft verkregen kan na meer dan twintig jaar onafgebroken bezit door bevrijdende verjaring eigenaar worden.

Relevante artikelen

Art. 3:105 BW:

1. Hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.

2. Heeft iemand vóór dat tijdstip het bezit onvrijwillig verloren, maar het na dat tijdstip, mits binnen het jaar na het bezitsverlies of uit hoofde van een binnen dat jaar ingestelde rechtsvordering, terugverkregen, dan wordt hij als de bezitter op het in het vorige lid aangegeven tijdstip aangemerkt.

Art. 3:107 BW:

1. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf.

2. Bezit is onmiddellijk, wanneer iemand bezit zonder dat een ander het goed voor hem houdt.

3. Bezit is middellijk, wanneer iemand bezit door middel van een ander die het goed voor hem houdt.

4. Houderschap is op overeenkomstige wijze onmiddellijk of middellijk.

Art. 3:108 BW:

Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten.

Art. 3:112 BW:

Bezit wordt verkregen door inbezitneming, door overdracht of door opvolging onder algemene titel.

Art. 3:113 BW:

1. Men neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen.

2. Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende.

Art. 3:306 BW:

Indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.

Andere relevante jurisprudentie