Unabhangige Initiative Informationsvielfalt (UII) t. Oostenrijk-arrest


Onderwerpen ‐ Vrijheid van meningsuiting
Artikelen ‐ Artikel 10 EVRM

De feiten

Een vereniging in Oostenrijk met een periodiek blad publiceerde in 1992 een artikel over de rechtse politieke partij FPÖ en dat deze racistisch zou zijn en plaatste namen en adresgegevens van FPÖ-leden. FPÖ begon een civiele procedure en verzocht de rechtbank om aan het blad een verbod op te leggen nogmaals dergelijke beschuldigingen te uiten en de gegevens van haar leden openbaar te maken. De rechtbank legde het verbod op en stelde dat de aantijging dat de partij racistisch is niet als waardeoordeel gebracht werd maar als feitelijke constatering waarvoor bewijs ontbrak. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd tot het hooggerechtshof. De vereniging diende een klacht in bij het EHRM.

Rechtsvraag

Is het verbod, opgelegd door de rechter, om de racistische beschuldigingen te herhalen een toegestane inbreuk op artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting)?

Overweging

Het Hof overweegt dat deze zaak valt binnen het recht op vrijheid van meningsuiting en dat er sprake is van een beperking. Het Hof moet nu nagaan of deze beperking toegestaan is in het licht van artikel 10 lid 2 EVRM. Over de vraag of de beperking bij wet voorzien was en een legitiem doel diende bestond tussen de partijen geen geschil. Het Hof kan dus direct overgaan tot beantwoording van de vraag of de beperking noodzakelijk was in een democratische samenleving.

Het Hof begint met het herhalen van overwegingen uit vaste jurisprudentie dat het recht op vrijheid van meningsuiting een essentiële voorwaarde is voor een democratische samenleving en dat het niet alleen gewenste meningen beschermt, maar ook meningen die kwetsen, schokken of verontrusten. De margin of appreciation in dit soort gevallen is klein. De ruimte die de pers heeft is afhankelijk van het onderwerp, zo zal er veel ruimte zijn wanneer het gaat om politieke uitlatingen en het maatschappelijk debat, maar minder ruimte wanneer het gaat over een individu. De pers speelt een grote rol in de democratische samenleving en wanneer te veel beperkingen zouden worden opgelegd kan het zijn rol als “public watchdog” niet vervullen. De bescherming die de pers geniet is onder andere afhankelijk van de vorm van de uitlatingen, onderscheid wordt gemaakt naar waardeoordelen en feitelijke constateringen.

Het Hof stelt dat het geschil bekeken moet worden in het licht van uitlatingen die FPÖ gedaan heeft ten aanzien van haar partijprogramma. Daarin werden afkeurende uitlatingen gedaan over migranten. Het Hof stelt dat het artikel niet onzorgvuldig geschreven was en niet een persoonlijke aanval inhield op de leden van FPÖ omdat het geschreven werd in de context van de discussie over migratie. Het artikel was dus onderdeel van het politieke debat. Er kan niet verwacht worden van een journalist dat hij gronden gebruikt in zijn stukken die vergelijkbaar zijn met die in een strafproces (dit was het argument van de Oostenrijkse rechter). De journalist schreef op persoonlijke titel en gaf een voldoende onderbouwde mening die een toegevoegde waarde had voor het politieke debat.

Het Hof concludeert dan ook dat de beperking op het recht van vrijheid van meningsuiting in dit geval niet toegestaan was en leidt tot schending van artikel 10 EVRM.

Rechtsregel

Waardeoordelen moeten gebaseerd zijn op feiten, maar dit hoeven geen waterdichte gronden te zijn die in een strafproces geaccepteerd zouden worden.

Andere relevante jurisprudentie

Hof Datum Vindplaats Naam Onderwerp
EHRM 06/05/2003 AB 2003, 211 Betuwelijn (Kleyn ea tegen ... Onpartijdigheid, dubbelrol ... +
HR 17/03/1953 NJ 1953, 389 APV Nuth Beperking grondrecht +
HR 10/11/1992 NJ 1993, 197 APV Den Bosch Beperking vrijheid van meni... +
HR 15/04/1994 NJ 1994, 608 Valkenhorst Beperking van het recht om ... +
EHRM 10/11/2005 44774/98 Leyla Sahin tegen Turkije Vrijheid van godsdienst +
HR 28/11/1950 NJ 1951, 117 APV Tilburg Beperking openbarings- en v... +
EHRM 28/09/1995 NJ 1995, 667 Procola Onpartijdigheid, Raad van S... +
HR 26/04/1996 NJ 1996, 728 Rasti Rostelli Privaatrechtelijk handelen ... +
EHRM 13/02/2002 EHRC 2003/28 Refah Partisi Vrijheid van vereniging, de... +
HR 30/03/1984 NJ 1985, 350 Turkse werkneemster (Suiker... Vrijheid van godsdienst, ho... +
KB 05/06/1986 Stb. 1986, 337 Vloekverbod Ermelo Grondrechten +
EHRM 26/04/1979 NJ 1980, 146 Sunday Times Beperking grondrechten +
ABRvS 28/08/1995 AB 1996, 204 Sluiting drugspand Grondrechten +
EHRM 21/06/1988 NJ 1991, 641 Ärzte für das Leben Vrijheid van vereniging, po... +
EHRM 26/04/1979 NJ 1980, 146 Sunday Times t. UK Vrijheid van meningsuiting,... +
HR 12/12/2003 AB 2004, 93 Aidstest II Horizontale werking grondre... +
EHRM 11/07/2002 28957/95 Christine Goodwin t. Vereni... Private life, margin of app... +
EHRM 28/10/1998 23452/94 Osman t. Verenigd Koninkrijk Positieve verplichtingen +
HR 30/05/1986 NJ 1986, 688 NS/FNV (Spoorwegstaking) Een ieder verbindende bepal... +
HR 13/03/1960 BNB 1960/222 AOW gewetensbezwaren Vrijheid van godsdienst, be... +
EHRM 07/12/1976 5493/72 Handyside t. Verenigd Konin... Vrijheid van meningsuiting +
HR 18/06/1993 NJ 1994, 347 Verplichte aidstest Horizontale werking grondre... +