Alpine Investments-arrest


Onderwerpen ‐ Vrij verkeer van diensten
Artikelen ‐ Artikel 56 VWEU

De feiten

Alpine Investments is een Nederlands bedrijf dat door het Nederlandse ministerie van Financiën een verbod opgelegd werd om particulieren zonder hun voorafgaande schriftelijke toestemming telefonisch te benaderen om verschillende financiële diensten aan te bieden (het zogenoemde "cold calling"). Zij deed dit in Duitsland, nu het in Nederland niet toegestaan is. Wanneer het tot een rechtszaak komt worden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU.

Rechtsvraag

1 Valt het verbod van "cold calling" binnen de werkingssfeer van artikel 56 VWEU?
2 Levert het verbod van “cold calling” een beperking van het vrij verkeer op in de zin van artikel 56 VWEU?
3 Indien zulks het geval is, kan dit verbod niettemin gerechtvaardigd zijn?

Overweging

Met betrekking tot vraag 1
Het Hof overweegt dat in het onderhavige geval de diensten door een in een lidstaat gevestigd dienstverrichter aangeboden worden aan een in een andere lidstaat gevestigde dienstontvanger. Uit de tekst van artikel 56 zelf volgt, dat het derhalve gaat om een verrichten van diensten in de zin van die bepaling.
Het Hof overweegt dat mitsdien op de eerste vraag moet worden geantwoord, dat artikel 56 VWEU aldus moet worden uitgelegd, dat het betrekking heeft op de diensten die een dienstverrichter telefonisch aan in een andere lidstaat gevestigde potentiële ontvangers aanbiedt en die hij verricht zonder de lidstaat waar hij is gevestigd, te verlaten.

Met betrekking tot vraag 2
Het Hof overweegt dat een verbod als in het hoofdgeding aan de orde is, niet op de enkele grond dat andere lidstaten op de op hun grondgebied gevestigde dienstverrichters minder rigoureuze bepalingen toepassen, een beperking op het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 56 oplevert. Het verbod kan dan echter een beperking op het vrij verrichten van grensoverschrijdende diensten opleveren.

Het Hof overweegt verder dat hoewel een verbod als in het hoofdgeding aan de orde is, algemeen en niet-discriminerend is en niet tot doel of ten gevolge heeft, dat de nationale markt wordt bevoordeeld ten opzichte van dienstverrichters uit andere lidstaten, kan het een beperking op het vrij verrichten van grensoverschrijdende diensten opleveren
Het verbod is dan ook rechtstreeks van invloed op de toegang tot de dienstenmarkt in de andere lidstaten en kan derhalve het intracommunautaire dienstenverkeer belemmeren.

Het Hof komt tot de conclusie dat op de tweede vraag moet worden geantwoord, dat de regeling van een lidstaat die de op zijn grondgebied gevestigde dienstverrichters verbiedt potentiële opdrachtgevers, gevestigd in andere lidstaten, zonder dat zij daarom hebben gevraagd, op te bellen om hun diensten aan te bieden, een beperking op het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 56 VWEU oplevert.

Met betrekking tot vraag 3
De Nederlandse regering stelt, dat het verbod van "cold calling" in de goederentermijnhandel buiten beurs ten doel heeft de reputatie van de Nederlandse financiële markten en het beleggend publiek te beschermen.

Het Hof overweegt dat de handhaving van de goede reputatie van de nationale financiële sector een dwingende reden van algemeen belang kan zijn, die beperkingen op het vrij verrichten van financiële diensten kan rechtvaardigen.
Het verbod van "cold calling", dat door de lidstaat van waaruit het telefoongesprek wordt gevoerd, wordt uitgevaardigd teneinde het vertrouwen van de beleggers in de financiële markten van deze staat te beschermen, kan niet ongeschikt worden geacht ter bereiking van het doel, de integriteit van deze markten te verzekeren.

Volgens het Hof betekent het feit dat in de ene lidstaat minder strikte bepalingen gelden dan in een andere, niet dat deze laatste onevenredig zijn en derhalve onverenigbaar met het gemeenschapsrecht.
Zo gezien blijkt niet dat het verbod van "cold calling" onevenredig is aan het doel dat daarmee wordt nagestreefd.

Conclusie die het Hof trekt is dat op de derde vraag moet worden geantwoord, dat artikel 56 VWEU niet in de weg staat aan een nationale regeling die, teneinde het vertrouwen van de beleggers in de nationale financiële markten te beschermen, verbiedt om potentiële opdrachtgevers, gevestigd in andere lidstaten, zonder dat zij daarom hebben gevraagd, op te bellen om aan hen diensten in verband met beleggingen in goederentermijncontracten aan te bieden.

Rechtsregel

Waar artikel 56 VWEU textueel enkel verwijst naar discriminatoire maatregelen, stelt het Hof van Justitie in dit arrest dat ook maatregelen van gelijke werking vallen onder dit artikel. Zij het dat in dit geval de maatregel gerechtvaardigd was door het doel.

Relevante artikelen

Artikel 56 VWEU
In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd.

Andere relevante jurisprudentie