Van den Berge/Verenigde Bootlieden B.V.-arrest


Onderwerpen ‐ Gelijkheidsbeginsel van aandeelhouders
Artikelen ‐ art. 2:201 BW, art. 2:206a BW.

Feiten

Verenigde Bootlieden BV wil fiscaal gezien zo gunstig mogelijk uitkeren aan haar aandeelhouders. Daarvoor is het nodig om een verandering door te voeren in het relatieve aandelenbezit van de aandeelhouders van de vennootschap. Alle aandeelhouders moeten minimaal 5% in het kapitaal van de vennootschap bezitten om gebruik te kunnen maken van de fiscaal gunstige deelnemingsvrijstelling. Vier aandeelhouders konden niet aan dit vereiste voldoen. Daarom werd door de AVA besloten tot een emissie van aandelen aan deze vier aandeelhouders zodat ook zij aan het vereiste van 5% zouden voldoen. Hierbij werd het voorkeursrecht van de andere aandeelhouders uitgesloten. Eén van de andere aandeelhouders, Van den Berge stelde dat zijn belang in de BV door de emissie was verminderd. Omdat hij niet naar evenredigheid van zijn aandelenbezit op de emissie heeft kunnen intekenen, is van mening dat hij niet geheel gelijk met andere aandeelhouders is behandeld.

Rechtsvraag

Wanneer is het vennootschapsrechtelijk gelijkheidsbeginsel geschonden en mag men dit beginsel in bepaalde gevallen opzij schuiven?

Overweging

“(…) ook voor het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders geldt dat van schending daarvan geen sprake is indien voor de ongelijke behandeling een redelijk en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen (…).”

Rechtsregel

Het gelijkheidsbeginsel van aandeelhouders wordt pas geschonden als er voor de ongelijke behandeling geenredelijke en objectieve rechtvaardiging gevonden kan worden. In casu was het opheffen van devoor vier aandeelhouders nadelige fiscale ongelijkheid gerechtvaardigd omdat deze voor de andere aandeelhouders slechts een relatief geringe daling van hun belang meebracht.

Relevante artikelen

Art. 2:201 BW:

1. Voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, zijn aan alle aandelen in verhouding tot hun bedrag gelijke rechten en verplichtingen verbonden.

2. De vennootschap moet de aandeelhouders onderscheidenlijk certificaathouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden, op de zelfde wijze behandelen.

3. De statuten kunnen bepalen dat aan aandelen van een bepaalde soort of aanduiding bijzondere rechten als in de statuten omschreven inzake de zeggenschap in de vennootschap zijn verbonden.

Art. 2:206a BW:

1. Voor zover de statuten niet anders bepalen, heeft iedere aandeelhouder bij uitgifte van aandelen een voorkeursrecht naar evenredigheid van het gezamenlijke bedrag van zijn aandelen, behoudens de beide volgende leden. Hij heeft geen voorkeursrecht op aandelen die worden uitgegeven aan werknemers van de vennootschap of van een groepsmaatschappij. Het voorkeursrecht kan, telkens voor een enkele uitgifte, worden beperkt of uitgesloten bij besluit van de algemene vergadering, voor zover de statuten niet anders bepalen.

2. Voor zover de statuten niet anders bepalen, hebben houders van aandelen:

a. die geen recht geven tot deling in de winst of reserves van de vennootschap of die niet boven een bepaald percentage van het nominale bedrag of slechts in beperkte mate daarboven delen in de winst, of

b. die niet boven het nominale bedrag of slechts in beperkte mate daarboven delen in een overschot na vereffening, of

c. waaraan ingevolge een statutaire regeling op grond van artikel 228 lid 5 geen stemrecht is verbonden, geen voorkeursrecht op uit te geven aandelen.

3. Voor zover de statuten niet anders bepalen, hebben de aandeelhouders geen voorkeursrecht op uit te geven aandelen in een van de in lid 2 onder a, b en c omschreven soorten.

4. De vennootschap kondigt de uitgifte met voorkeursrecht en het tijdvak waarin dat kan worden uitgeoefend, aan in een schriftelijke mededeling aan alle aandeelhouders aan het door hen opgegeven adres. Tenzij de statuten anders bepalen, wordt aan de eis van schriftelijkheid voldaan indien de mededeling elektronisch is vastgelegd.

5. Het voorkeursrecht kan worden uitgeoefend gedurende ten minste vier weken na de dag van de verzending van de aankondiging.

6. Voor zover de statuten niet anders bepalen, hebben de aandeelhouders een voorkeursrecht bij het verlenen van rechten tot het nemen van andere aandelen dan de in lid 2 onder a, b en c omschreven soorten; de vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing. Aandeelhouders hebben geen voorkeursrecht op aandelen die worden uitgegeven aan iemand die een voordien reeds verkregen recht tot het nemen van aandelen uitoefent.

Andere relevante jurisprudentie