Ciola-arrest


Onderwerpen ‐ Vrij verkeer van diensten
Artikelen ‐ Artikel 56 VWEU

De feiten

Ciola is bedrijfsleider van een bedrijf dat terreinen verhuurt aan de oever van de Bodensee met een vergunning voor 200 ligplaatsen voor plezierjachten, maximaal 60 van die plaatsten mogen verhuurd worden aan personen die in het buitenland wonen. Op een gegeven moment verhuurt Ciola twee plaatsen aan personen die in het buitenland wonen, hij had het maximale aantal van 60 al overschreden, en er wordt hem een boete opgelegd. Ciola gaat in beroep tegen de boete en in de rechtszaak die volgt worden prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EU.

Rechtsvraag

1 Moeten de bepalingen inzake de vrijheid van dienstverrichting aldus worden uitgelegd, dat zij een lidstaat beletten, de exploitant van een jachthaven op straffe van strafvervolging te verbieden, boven een bepaald contingent ligplaatsen aan in een andere lidstaat woonachtige booteigenaars te verhuren?

Overweging

Het Hof overweegt dat de vrijheid van dienstverrichting door een onderneming kan worden ingeroepen tegenover de staat waarin zij is gevestigd, wanneer die diensten worden verricht ten behoeve van in een andere lidstaat gevestigde personen. Dit recht impliceert dat degenen te wier behoeve diensten worden verricht, zich met het oog daarop vrijelijk naar een andere lidstaat kunnen begeven zonder daarbij door beperkingen te worden gehinderd.

Het vervolgt met de overweging dat een dienst zoals de vennootschap waarvan Ciola bedrijfsleider is die verricht door middel van een contract voor de verhuur van een ligplaats aan een in een andere lidstaat woonachtige booteigenaar, die deze dienst ontvangt in een andere lidstaat dan zijn woonstaat, wordt beheerst door bepalingen uit Titel V van het VWEU.

Onder deze omstandigheden is een beperking van het aantal ligplaatsen als in het hoofdgeding aan de orde is, in strijd met het verbod van elke, zij het ook indirecte, discriminatie jegens de dienstverrichter. De beperking van het aantal ligplaatsen die aan niet in het binnenland woonachtige booteigenaars kunnen worden toegewezen, is weliswaar niet gebaseerd op de nationaliteit van laatstgenoemden - en kan daarom niet als een rechtstreekse discriminatie worden aangemerkt -, doch hanteert als onderscheidend criterium wel hun woonplaats. Volgens vaste rechtspraak kan een nationale bepaling die onderscheid maakt op basis van het woonplaatscriterium, hoofdzakelijk ten nadele van onderdanen van andere lidstaten werken. Niet-ingezetenen zijn immers in de meeste gevallen buitenlanders.

Nationale regelingen die niet zonder onderscheid van toepassing zijn op dienstverrichtingen, ongeacht de woonplaats van degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, en die mitsdien discriminerend zijn, zijn slechts verenigbaar met het gemeenschapsrecht, indien zij onder een uitdrukkelijke afwijkende bepaling kunnen vallen. Doelstellingen van economische aard kunnen echter geen redenen van openbare orde in de zin van dat artikel vormen.

De invoering door een lidstaat van een maximumcontingent ter beperking van het aantal ligplaatsen die aan in een andere lidstaat woonachtige booteigenaars kunnen worden verhuurd, is in strijd met het beginsel van vrije dienstverrichting.

Rechtsregel

De bepalingen inzake de dienstenvrijdheid moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat de exploitant van een jachthaven op straffe van strafvervolging verbiedt, boven een bepaald contigent ligplaatsen te verhuren aan in een andere lidstaat woonachtige booteigenaren.
Dit geldt ook wanneer de bepalingen van nationaal recht zijn uitgevaardigd voor toetreding van de lidstaat tot de EU, maar na toetreding overtreding ervan bestraft wordt.

Relevante artikelen

Artikel 56 VWEU
In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd.

Andere relevante jurisprudentie