Förster-arrest


Onderwerpen ‐ EU-burgerschap, vrij verkeer van personen
Artikelen ‐ Artikel 18 en 45 VWEU

De feiten

Förster, een Duits staatsburger, heeft zich in 2000 in Nederland gevestigd om een studie te volgen. Zij heeft tijdens haar studie betaald werk verricht. Vanaf september 2000 heeft zij van de IB-groep een studiebeurs gekregen omdat zij aangemerkt moest worden als werknemer in de zin van artikel 45 VWEU. Bij controle bleek dat zij gedurende een aantal maanden niet gewerkt heeft, de IB-groep heeft het onterecht betaalde bedrag aan studiefinanciering teruggevorderd. Dit heeft geleid tot een juridische procedure die terechtkomt bij de Centrale Raad van Beroep, de CRvB heeft prejudiciële vragen gesteld.

Rechtsvraag

Of, en onder welke voorwaarden, kan een student die onderdaan is van een lidstaat en om studieredenen naar een andere lidstaat is gekomen, een beroep doen op artikel 18 VWEU ter verkrijging van een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien?

Overweging

De rechter buigt zich eerst over de vraag of verordening 12.51/70 van toepassing is op Förster. Verordening 1251/70 heeft betrekking op “het recht van de werknemer die zijn beroepswerkzaamheid heeft gestaakt, om duurzaam verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na aldaar werkzaam te zijn geweest in loondienst en om in het genot te blijven van het recht om op gelijke voet te worden behandeld als de eigen onderdanen” (r.o. 26). De verordening geeft drie situaties aan waarin de werknemer het recht heeft om zonder betaalde arbeid te verrichten in de lidstaat te verblijven (art. 2). Förster past niet binnen één van die situaties. De verordening is dus niet op haar van toepassing.

Artikel 18 VWEU verbiedt elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit. Het Hof heeft in eerdere zaken al geoordeeld m.b.t. uitkeringen dat een “economisch niet-actieve burger van de Unie zich op artikel 18 VWEU kan beroepen wanneer hij gedurende een bepaalde periode legaal in de ontvangende lidstaat heeft verbleven” (r.o. 39). In een eerder arrest heeft het Hof reeds geoordeeld dat “de situatie van een student die legaal in een andere lidstaat verblijft, […] aldus [valt] onder de werkingssfeer van art. 18 VWEU met het oog op de verkrijging van een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien” (r.o. 41). Dit betekent dat de toekenning van studiebeurzen moet gebeuren met in acht neming van de regels die gelden voor EU-burgers.

De Nederlandse overheid heeft regels vastgesteld op basis waarvan “een student met de nationaliteit van een lidstaat van de Unie in aanmerking kan komen voor een beurs om in zijn levensonderhoud te voorzien, indien hij voorafgaand aan zijn aanvraag gedurende een ononderbroken periode van ten minste vijf jaar legaal in Nederland verblijf heeft gehad” (r.o. 45). Het Hof acht deze eis van vijf jaar verblijf in Nederland niet onredelijk. Deze eis wordt gesteld om er zeker van te zijn dat de EU burger een zekere band heeft met Nederland.

Rechtsregel

EU-burgers die willen studeren in een andere EU-lidstaat hebben op basis van artikel 18 VWEU rect op studiefinanciering wanneer zij gedurende een bepaalde periode in die lidstaat verbleven voor de aanvraag. Een periode van vijf jaar is niet onredelijk.

Andere relevante jurisprudentie