Leenders/Ubbergen-arrest


Onderwerpen ‐ Bevoegdheid burgerlijke rechter, formele rechtskracht
Artikelen ‐ n.v.t.

De feiten

Leenders verkoopt levensmiddelen door middel van rijdende winkelwagens. Leenders krijgt in Ubbergen een boete voor venten in strijd met art. 47 van de toenmalige APV van de gemeente. Leenders vraagt een vergunning aan, zich wel op het standpunt stellend dat die niet vereist is.

De vergunning wordt uiteindelijk onder bepaalde voorwaarden afgegeven. Leenders krijgt wederom een boete voor overtreding van de APV en staakt zijn verkoopactiviteiten. Leenders is in bezwaar gegaan tegen de vergunning omdat deze te beperkt zou zijn. In de gerechtelijke procedure die volgde heeft de rechtbank beslist dat de APV bepaling die door Leenders werd overtreden buiten toepassing dient te blijven.

Rechtsvraag

Heeft de gemeente onrechtmatig gehandeld tegen Leenders en is zij verplicht tot schadevergoeding over te gaan?

Overweging

Het Hof had in deze zaak geoordeeld dat "het beginsel van formele rechtskracht van beschikkingen – wat onder meer meebrengt dat indien tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede administratieve rechtsgang openstaat of heeft opengestaan en daarvan geen gebruik is gemaakt, de burgerlijke rechter dient uit te gaan van de juistheid van de genomen beschikking — in de weg staat aan de beoordeling door de burgerlijke rechter van de vraag of de gemeente onrechtmatig jegens Leenders heeft gehandeld."

De Hoge Raad overweegt ten aanzien van dat oordeel dat de grondslag voor de vordering van Leenders niet de onrechtmatigheid van de beschikking is, maar dat de onrechtmatige daad gelegen is in het uitvaardigen van een onverbindende regeling en het handhaven daarvan.

De Hoge Raad vervolgt met de overweging dat "indien de overheid het standpunt inneemt dat een burger voor het verrichten van bepaalde handelingen, zoals het uitoefenen van een bepaalde vorm van bedrijf of beroep, ingevolge een algemeen verbindend voorschrift een vergunning nodig heeft, maar die burger dit voorschrift onverbindend en daarom het inroepen en handhaven ervan jegens hem onrechtmatig acht, de eisen van een doeltreffende rechtsbescherming tegen de overheid meebrengen dat hij het geschil omtrent de verbindendheid van het voorschrift aan de rechter moet kunnen voorleggen."

Dan overweegt de Hoge Raad dat "zolang de beslechting van een dergelijk geschil niet aan de bestuursrechter is opgedragen moet die burger de vraag of het voorschrift verbindend is, in beginsel door middel van een vordering gegrond op onrechtmatig overheidsoptreden kunnen voorleggen aan de burgerlijke rechter. Dit laatste wordt niet anders doordat, indien de burger zonder de vereiste vergunning handelt en tegen hem een strafvervolging wordt ingesteld of bestuursdwang wordt toegepast, de verbindendheid van de desbetreffende regeling kan worden getoetst in een procedure voor de strafrechter resp. de bestuursrechter. Niet kan immers van de burger worden verlangd dat hij, hoezeer ook ervan overtuigd dat de regeling onverbindend is, het op een strafvervolging of toepassing van bestuursdwang laat aankomen om die onverbindendheid in rechte te doen vaststellen."

Van een burger kan niet verwacht worden dat hij "uitsluitend teneinde de vraag of de regeling onverbindend is, aan het oordeel van de rechter te kunnen onderwerpen, de vergunning voor zover nodig en onder aantekening van zijn zienswijze omtrent de verbindendheid van de regeling aanvraagt, vervolgens tegen de beschikking waarbij de vergunning wordt verleend, een bezwaarschrift indient en zo nodig tegen de beslissing daarop beroep instelt bij de bestuursrechter."

Rechtsregel

Formele rechtskracht van een besluit staat niet in de weg aan de mogelijkheid om de geldigheid van de regel die aan dat besluit ten grondslag ligt in rechte in twijfel te trekken.

Andere relevante jurisprudentie