Waterpakt/Staat (Nitraatrichtlijn)-arrest


Onderwerpen ‐ Rechtsvormende taak rechter, wetgevingsbevel
Artikelen ‐ 81 Grondwet, 94 Grondwet

De feiten

In 1991 werd door de EU wetgever een richtlijn vastgesteld m.b.t. de kwaliteit van water en verontreiniging door nitraat. De Nederlandse staat stelde vervolgens een actieprogramma vast om de Richtlijn te implementeren. Dit programma is tot twee maal toe afgekeurd door de Commissie. Door uitblijven van handelen door de Nederlandse staat stapten verschillende bedrijven naar de rechter met het verzoek voor recht te verklaren dat de staat onrechtmatig gehandeld heeft en met het verzoek de staat op te dragen alsnog te handelen zoals de Richtlijn vereist. Na behandeling door de Rechtbank en het Gerechtshof komt de zaak bij de Hoge Raad terecht.

Rechtsvraag

Is de rechter bevoegd een wetgevingsbevel te geven aan de staat wanneer de staat verzuimt implementatiewetgeving tot stand te brengen?

Overweging

De Hoge Raad begint met de vaststelling dat wetten in formele zin op grond van artikel 81 Grondwet worden vastgesteld door de regering en de Staten Generaal gezamenlijk. Daarbij moet de vraag naar de vorm en inhoud van de wet worden beantwoord op basis van politieke besluitvorming en afweging van de erbij betrokken belangen. De Hoge Raad vervolgt met de vaststelling dat de op de Grondwet berustende verdeling van bevoegdheden tussen de verschillende staatsorganen meebrengt dat de rechter niet in mag grijpen in die procedure van politieke besluitvorming.

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat dit niet anders is wanneer de vorm en inhoud vast liggen op grond van een Europese Richtlijn. Ook ingeval de wetgever heeft nagelaten binnen de implementatietermijn van een richtlijn wetgeving vast te stellen om het vereiste resultaat te bereiken, en indien moet worden aangenomen dat de Staat daarmee onrechtmatig handelt, kan de rechter niet een bevel geven binnen een door hem te bepalen termijn alsnog die wetgeving vast te stellen.

Het is evenmin van belang dat de rechter formele wetgeving, als zij eenmaal is tot stand gekomen, op grond van art. 94 Grondwet buiten toepassing moet laten wanneer zij in strijd is met regels van internationaal recht.

De Hoge Raad overweegt tot slot dat het ontbreken van implementatiewetgeving niet automatisch tot het ontbreken van rechtsbescherming leidt. In dat geval is de rechter immers bevoegd tot richtlijnconforme interpretatie van bestaande wetgeving, eveneens is de Staat onder omstandigheden tot schadevergoeding gehouden.

Ten aanzien van de vraag of het EU-recht noopt tot een andere beslissing overweegt de Hoge Raad dat aangenomen moet worden dat de taak van de rechter om de volle werking van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen te verzekeren slechts vervuld kan worden binnen het kader van de voor hem bestaande bevoegdheden. Deze bevoegdheden worden bepaald door het nationale recht. Reeds is overwogen dat de rechter naar Nederlands recht niet bevoegd is de wetgever te bevelen formele wetgeving tot stand te brengen.

Volgens de Hoge Raad kan niet anders geconcludeerd worden dan dat in het EU-recht geen grond gevonden kan worden voor een andere beslissing dan binnen het Nederlandse recht.

Rechtsregel

De rechter is op grond van zijn positie binnen het staatsbestel niet bevoegd een wetgevingsopdracht te geven aan zowel de formele als de materiële wetgever. Dit is niet anders wanneer het gaat om wetgeving die tot stand moet worden gebracht op basis van het EU-recht.

Relevante artikelen

Artikel 81 en 94 Grondwet

Andere relevante jurisprudentie