Dev Sol-arrest


Onderwerpen ‐ Bewijs, toevoegen processtukken, relevantiecriterium
Artikelen ‐ Art. 6 EVRM, art. 33 Sv, art. 51 Sv

De feiten
Twee mannen worden door zes gewapende mannen, behorende tot ‘Dev Sol’ (terroristische organisatie), onder pistooldreiging overvallen en gedwongen tot afgifte van o.a. identiteitskaarten. Tevens wordt gedreigd dat de slachtoffers niet naar de politie moeten gaan. Vervolgens heeft de politie een fotoboek(en) samengesteld en gebruikt op basis van de aangiften ten aanzien van personen waarvan aanwijzingen bestonden dat zij betrokken waren bij ‘Dev Sol’. De raadsvrouw heeft vervolgens verzocht de fotoboeken aan het dossier te voegen, aangezien ze een belangrijke rol in het in het onderzoek hebben gespeeld en dus als processtukken kunnen worden bestempeld. De rechtbank heeft dit afgewezen. Waarna de raadsvrouw in eerste aanleg en in hoger beroep het verweer heeft gevoerd dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te worden verklaard, aangezien dit een schending van art. 6 lid 3 sub b en d EVRM is. De rechtbank en het hof wijzen dit af (motivering: geheimhouding voor toekomstig onderzoek, privacy van de op de overige foto’s afgebeelde personen en de rechtbank en raadsvrouw hebben inzage in het fotoboek gehad). Het hof voegt hier aan toe dat de fotoboeken niet kunnen worden aangemerkt als processtukken.

Rechtsvraag
Moeten de fotoboeken toch als processtukken aan het dossier worden toegevoegd?

Overweging
Het eerste middel betrof het verweer dat de fotoboeken als processtukken moesten worden bestempeld en tevens moesten worden toegevoegd aan het dossier.

Het begrip processtukken is in de wet niet gedefinieerd, noch is daarin geregeld welke functionaris beslist omtrent de samenstelling van het dossier (inmiddels is dit wel het geval, zie art. 149a en 149b Sv). Voor zover het gaat om stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs, moet worden aangenomen dat — behoudens de bevoegdheid van de verdediging om harerzijds stukken in het geding te brengen en het bepaalde in art. 414 Sv — de officier van justitie de stukken behelzende de resultaten van het opsporingsonderzoek aan het dossier toevoegt. Indien een gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld heeft de rechter-commissaris een soortgelijke taak ten aanzien van de resultaten van het gerechtelijk vooronderzoek.

In het dossier dienen te worden gevoegd stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. Het voorgaande neemt niet weg dat de rechter hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het openbaar ministerie alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken kan gelasten. Kennisneming van de processtukken mag, behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen voor beperkte duur, aan de verdachte en zijn raadsman niet worden onthouden. Van de processtukken worden ook afschriften verstrekt.

Het geval kan zich voordoen dat de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel aanvecht. Een zodanig verweer dient te worden onderzocht. Beginselen van een behoorlijke procesorde brengen mee dat de verdediging in beginsel de kennisneming van voor de beoordeling van die vragen van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende, documenten niet mag worden onthouden. Dat betekent niet dat zowel de raadsman als de verdachte zonder meer aanspraak hebben op een afschrift of kennisneming van een hulpmiddel als te dezen door de politie is gebruikt of van andere documentatie.

Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval bij afweging van de belangen van de opsporingsautoriteiten bij toekomstige onderzoeken naar afpersingspraktijken van Dev Sol en de gerechtvaardigde belangen van de in bedoelde fotoboeken afgebeelde personen enerzijds en de belangen van de verdediging bij kennisneming van die boeken anderzijds, eerstbedoelde belangen in zoverre zwaarder wegen dat aan de verdachte de kennisneming van die boeken niet kan worden toegestaan, doch dat de raadsvrouw in de gelegenheid zal worden gesteld om van de inhoud van die boeken kennis te nemen, van welke mogelijkheid de raadsvrouw echter geweigerd heeft gebruik te maken. Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, met name niet omtrent de in het middel vermelde verdragsbepalingen en is niet onbegrijpelijk.

Het tweede middel betrof het verweer dat de verdachte niet kon worden veroordeeld op basis van slechts één getuigenverklaring.

Directe betrokkenheid van verdachte bij het bewezenverklaarde blijkt slechts uit getuigenverklaring in ambtsedig proces-verbaal. Nu de verdediging de getuige niet heeft ondervraagd en diens verklaring onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen is het gebruik daarvan in strijd met art. 6 lid 3 sub d EVRM.

Rechtsregel
In het dossier dienen te worden gevoegd stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin. Het zogenaamde relevantiecriterium. De fotoboeken van de politie kunnen niet als processtukken worden aangemerkt. Bij verweer mag kennisneming, indien voor beoordeling verweer van belang, aan verdediging niet worden onthouden. Beperking van de kennisneming door de verdachte is mogelijk.

Relevante artikelen

Artikel 6 EVRM:

Lid 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Lid 2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Lid 3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
Sub a: onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
Sub b: te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
Sub C: zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
Sub d: de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
Sub e: zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

Artikel 33 Sv:

De kennisneming van alle processtukken in het oorspronkelijk of in afschrift mag, behoudens het bepaalde in artikel 149b, de verdachte niet worden onthouden zodra de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg aan hem is betekend dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.

Artikel 51 Sv:

Ten aanzien van de bevoegdheid van den raadsman tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de artikelen 30 tot en met 34 overeenkomstige toepassing. Van alle stukken die ingevolge dit wetboek ter kennis van de verdachte worden gebracht ontvangt de raadsman, behoudens het bepaalde in artikel 32, tweede lid, onverwijld afschrift.

Andere relevante jurisprudentie