Saunders t. Verenigd Koninkrijk-arrest


Onderwerpen ‐ Bewijs, zelfincriminatie, getuige, verdachte
Artikelen ‐ art. 6 EVRM

De feiten
Naar aanleiding van het mogelijke wangedrag maakt de minister van handel en industrie gebruik van zijn bevoegdheid uit de Companies Act 1985 en benoemt onafhankelijke inspecteurs (DTI-Inspectors). Zij worden belast met het instellen van een onderzoek naar de gebeurtenissen rondom de overname van Distillers. Op 10 dec. 1986 begint een serie (getuige)verhoren met diverse betrokkenen, die wettelijk onder de verplichting staan aan het onderzoek medewerking te verlenen. Saunders is een van hen, aangezien hij ten tijde van de overname hoofddirecteur van Guinness is. Op verzoek van de DPP start de politie in mei 1987 een officieel strafrechtelijk onderzoek. In het vervolg daarvan wordt Saunders met ettelijke medeverdachten in staat van beschuldiging gesteld in verband met een lange lijst van delicten. Saunders stond terecht met drie medeverdachten. Hij moest zich verdedigen tegen een beschuldiging van in totaal vijftien delicten, omvattende het opmaken van een valse boekhouding, diefstal en samenzwering. Tijdens het proces legde Saunders als enige een verklaring af van zijn totale onschuld en onwetendheid. Ook in de verdediging van een medeverdachte en in de conclusie van de rechter kwam de tegenstrijdigheid in Saunders' verklaringen naar voren. Saunders werd uiteindelijk op twaalf punten schuldig bevonden en tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld.

Rechtsvraag
Was het gebruik van de voor de inspecteurs afgelegde verklaringen (toen Saunders nog geen verdachte was) in de latere strafzaak tegen Saunders, in strijd met art. 6 EVRM?

Overweging
Het zwijgrecht en het recht om geen bewijs tegen zichzelf te hoeven leveren vormen essentialia van een fair proces en dus van art. 6 EVRM. Het gaat daarbij onder meer om de bescherming van de verdachte tegen ongeoorloofde dwangtoepassing door de autoriteiten, om zo rechterlijke dwalingen te vermijden en de doelstellingen van art. 6 EVRM te bereiken. In het bijzonder het recht om geen bewijs tegen zichzelf te hoeven leveren veronderstelt dat de vervolging niet gebaseerd wordt op bewijsmateriaal, dat tegen de wil van de verdachte is verkregen door dwang of drukuitoefening. Dit recht legt zo de verbinding met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Het heeft echter vooral betrekking op het respecteren van de wil van de verdachte om te zwijgen. Het strekt zich niet uit tot materiaal, dat onder dwang van de verdachte wordt verkregen, maar onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat, zoals geschriften, ademlucht, bloed- en urinemonsters en lichaamsmateriaal voor een DNA-test. In casu waren verklaringen van de latere verdachte (Saunders), onder een spreekplicht afgelegd in het kader van een onafhankelijk onderzoek, tijdens de strafzaak tegen hem gebruikt. Dit was een schending van het verbod van (gedwongen) self-incrimination. Het gegeven dat de verklaringen waren afgelegd voordat hij als verdachte werd aangemerkt, betekent niet dat geen sprake kan zijn van schending van dat recht.

Rechtsregel
Bescherming tegen gedwongen self-incrimination gaat niet verder dan het zwijgrecht. Bewijs dat onder dwang of drukuitoefening is verkregen én dat afhankelijk van de wil van de verdachte bestaat, mag niet worden gebruikt tijdens een strafvervolging. Ander bewijsmateriaal (materiaal dat onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat) mag onder dwang van verdachte worden verkregen, zoals: documenten, adem, bloed, urine en lichaamsmateriaal ten behoeve van dna- onderzoek.

Relevante artikelen

Artikel 6 EVRM:

Lid 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Lid 2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Lid 3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
Sub a: onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
Sub b: te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
Sub C: zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
Sub d: de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
Sub e: zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

Andere relevante jurisprudentie

Hof Datum Vindplaats Naam Onderwerp
HR 06/12/1983 NJ 1984, 442 Damrak Redelijk vermoeden van schu... +
HR 20/12/1926 NJ 1927, 85 De auditu Testimonium de auditu, bewi... +
HR 30/03/2010 LJN BL2828 Telefoontap bij opzetheling bijzondere opsporingsbevoeg... +
Rechtb... 03/08/2012 LJN BX3554 Bewijsuitsluiting en vrijsp... Salduz, bewijsuitsluiting +
HR 26/01/2010 LJN BK2094 Unus testis nullus testis II bewijsminima getuigenverkla... +
HR 30/06/2009 LJN BG7746 Unus testis nullus testis I bewijsminima getuigenverkla... +
HR 27/05/2014 ECLI:NL:HR:2014... Fictieve 10-jarige strafbare voorbereiding zed... +
HR 03/06/1977 NJ 1978, 601 Hollende kleurling Redelijk vermoeden van schu... +
HR 07/05/1996 NJ 1996, 687 Dev Sol Bewijs, toevoegen processtu... +
HR 13/02/2013 LJN BY5321 Aanscherping toetsingskader... vormverzuim, afgegeven mach... +
HR 14/01/1975 NJ 1975, 207 Ruimte (coffeeshop de Ruimte) "Ernstige bezwaren", (on)re... +
HR 29/09/1981 NJ 1982, 258 Plastic boodschappentasje Verdachte, cautie +
HR 19/02/2013 NJ 2013, 308 Criteria voor toepassing be... Bewijsuitsluiting ex art. 3... +
HR 11/03/2008 NJ 2008, 329 Anonieme melding en redelij... Redelijk vermoeden +
HR 02/12/2008 NJ 2009, 10 Verschenen getuige I Getuigen +
Europe... 29/06/2007 EHRC 2007, 104 Francis t. Verenigd Koninkrijk Nemo tenetur-beginsel +
Europe... 11/07/2006 NJ 2007, 226 Jalloh t. Duitsland Nemo tenetur-beginsel +
HR 05/03/2013 LJN BZ2190 CIE-info Verdenking, art. 49 WWM +
HR 13/08/2013 ECLI:NL:RBAMS:2... Art. 160 WVW Verdenking, controlebevoegd... +
HR 02/02/1988 Nj 1988, 920 Stormsteeg Redelijk vermoeden van schu... +
HR 04/04/2000 NJ 2000,735 Antillianen in Groningen Redelijk vermoeden van schu... +
HR 19/09/2006 NJ 2007, 39 BAWR-gegevens Nemo tenetur-beginsel +
HR 21/12/2010 NJ 2011, 425 Schriftelijke verklaringen Nemo tenetur-beginsel +
HR 31/10/1986 NJ 1987, 173 St. Walburga politie-onderzoek +
HR 17/12/2013 RvdW 2014, 144 Nijmeegse scooter Medeplegen +