Bewijsuitsluiting en vrijspraak-arrest


Onderwerpen ‐ Salduz, bewijsuitsluiting
Artikelen ‐ art. 359a Sv

De feiten

Verdachte wordt vervolgd wegens drie feiten. Verdachte wordt in verband gebracht met enkele overvallen in Duitsland, hierbij zijn enkele foto’s van de dader genomen. Deze komen overeen met de foto’s van de verdachte van een overval op een Shell tankstation in Nederland (feit 1). Daarnaast heeft een medewerkster van de Gall & Gall verdachte herkend tijdens een fotoconfrontatie, als de overvaller van haar winkel (feit 2). Zij had hem ook al eens eerder herkend tijdens een cafébezoek. En bij een overval op een andere Gall & Gall winkel is dezelfde modus operandi toegepast (feit 3). Tijdens het verhoor in Duitsland heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd.

Rechtsvraag

Dient het verhoor (de bekennende verklaring) van de verdachte van het bewijs te worden uitgesloten, nu de verdachte niet de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen?

Overweging

Het verhoor heeft volgens de rechtbank onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten plaatsgevonden. Dit betekent dat de opsporingsambtenaren de Nederlandse rechtsregels dienden toe te passen. De Hoge Raad heeft in zijn Salduz-jurisprudentie bepaald dat, indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dit in beginsel een vormverzuim oplevert als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel – behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht (ondanks dat de officier van justitie dit wel betoogd, is dit niet het geval; de opsporingsambtenaren zijn blijven inpraten op de verdachte, oftewel zij hebben druk gezet waardoor de verdachte tot een bekennende verklaring is gekomen), dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken – dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen. De Hoge Raad heeft recent (HR 3 juli 2012, LJN: BW9264) geoordeeld dat een uit anderen hoofde gedetineerde verdachte ten aanzien van wie de verdenking is gerezen van een nieuw strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zich in een met een aanhouding vergelijkbare situatie bevindt.

Rechtsregel

Nu verdachte niet de gelegenheid is gegeven om voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat te raadplegen, dient de bekennende verklaring van de verdachte van het bewijs te worden uitgesloten. Het overige bewijs (onduidelijke camerabeelden en slechts een enkelvoudige fotoconfrontatie van aangeefster) is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte werd dan ook vrijgesproken.

Relevante artikelen

Artikel 359a Wetboek van Strafvordering:
Lid 1: De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
b.de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;
c.het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
Lid 2: Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Lid 3: Het vonnis bevat de beslissingen vermeld in het eerste lid. Deze zijn met redenen omkleed.

Andere relevante jurisprudentie