Telefoontap bij opzetheling-arrest


Onderwerpen ‐ bijzondere opsporingsbevoegdheden, telefoontap, opzetheling
Artikelen ‐ Art. 126m Sv

Feiten Verdachte werd ten laste gelegd dat hij in de periode van 14 oktober 2005 tot en met 11 november 2005 te Zeewolde en Zevenhuizen, tezamen en in vereniging met anderen, printercartridges en kunststof pallets voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van die goederen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Het hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard. De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld en stelt als middel dat het Hof een verweer strekkende tot strafvermindering naar aanleiding van het onrechtmatig tappen van de telefoon van de verdachte, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen. De raadsman van verdachte betoogt dat het gebruik van de bevoegdheid ex artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering onrechtmatig is geweest, nu er geen sprake is geweest van een misdrijf dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Derhalve is er sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering dat niet kan worden hersteld en derhalve dient te leiden tot een verlaging van de hoogte van de eventueel op te leggen straf, aldus de raadsman. Het hof overweegt dat aan de voorwaarde dat het misdrijf een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert in dezen is voldaan. Het hof heeft in dit verband acht geslagen op de omstandigheid dat het hier betrof de opzetheling van een uitzonderlijk grote hoeveelheid (200.000) gestolen gebruiksgoederen, te weten inktcartridges met een volgens de getuige [getuige 1] reële waarde van circa € 200.000. Diefstal op een dergelijke schaal van dergelijke goederen, waarvan moet worden aangenomen dat deze in hun totaliteit een (aanmerkelijk) hogere verkoopwaarde hebben dan voormeld bedrag, berokkent ernstige economische schade aan het benadeelde bedrijf dan wel het verzekeringsbedrijf dat gehouden is die schade te vergoeden.

De rechtsvraag Heeft het hof in deze het verweer strekkende tot strafvermindering naar aanleiding van het onrechtmatig tappen van de telefoon van verdachte, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, verworpen?

Overweging Het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel als bedoeld in art. 126m Sv houdt in dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend. De rechter-commissaris dient tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat daarbij in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of sprake is van een verdenking als bedoeld in art. 126m, eerste lid, Sv en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval als het onderhavige waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen (vgl. HR 11 oktober 2005, LJN AT4351, NJ 2006, 625 en HR 21 november 2006, LJN AY9673, NJ 2007, 233). Het oordeel van het hof dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging heeft kunnen komen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat - naar het hof heeft vastgesteld - het in dit geval vermoedelijk ging om opzetheling van 200.000 gestolen inktcartridges.

Het middel is derhalve in zoverre tevergeefs voorgesteld.

Rechtsregel De zittingsrechter mag enkel beoordelen of de rechter-commissaris bij het verlenen van de betreffende machtiging in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen. Indien het hof in deze oordeelt dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de machtiging heeft kunnen komen, geeft dit geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Relevante artikelen Art. 126m Sv

1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen, kan overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld.

2. Een strafrechtelijk financieel onderzoek is gericht op de bepaling van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel, met het oog op de ontneming daarvan op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

3. Het strafrechtelijk financieel onderzoek wordt ingesteld krachtens een met redenen omklede machtiging van de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast, verleend.

4. De vordering van de officier van justitie is met redenen omkleed. Bij de vordering wordt een lijst van voorwerpen overgelegd die reeds op grond van artikel 94a, tweede, vierde en vijfde lid, in beslag zijn genomen.

5. De officier van justitie informeert periodiek uit eigen beweging of op diens verzoek de rechter-commissaris over de voortgang van het strafrechtelijk financieel onderzoek. De rechter-commissaris licht de rechtbank in, indien hij zulks met het oog op artikel 126e, eerste lid, nodig oordeelt. De rechter-commissaris doet hiervan mededeling aan de officier van justitie.

Andere relevante jurisprudentie