Fraude hypotheekadviseur-arrest


Onderwerpen ‐ vertegenwoordiging, schijn van volmacht, kwalitatieve aansprakelijkheid
Artikelen ‐ art. 3:61 BW

De feiten

Hypotheekadviseur heeft een vrouw in dit arrest geadviseerd in relatie tot een hypotheek. De vrouw heeft vervolgens € 40.000 op een rekening gestort waarvan zij dacht dat dit een derdenrekening zou zijn, maar wat de persoonlijke rekening van de hypotheekadviseur bleek te zijn. Deze heeft het overgemaakte bedrag aan die rekening onttrokken. De hypotheekadviseur was in dienst van [C] B.V. Deze vennootschap is gevestigd op hetzelfde adres als haar zusterbedrijven [A] B.V. en [B], een eenmansbedrijf. Aan de buitenkant van het kantoorgebouw was (uitsluitend) vermeld: '[B]'. De hypotheekadviseur is strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van oplichting, valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst. De vrouw] heeft gevorderd dat - naast [C] B.V. en [A] B.V. ook de hypotheekadviseur in persoon zal worden veroordeeld haar de schade te vergoeden die zij heeft geleden als gevolg van de gepleegde fraude.

Rechtsvraag

Moet er voor een geslaagd beroep op art. 3:61 lid 2 BW sprake zijn van toedoen van de eiser?

Overweging

‘’Volgens de onderdelen 2.1 en 2.2 heeft het hof miskend dat voor een geslaagd beroep op art. 3:61 lid 2 sprake dient te zijn van toedoen van de zijde van [eiser], althans zijn oordeel dat van dergelijk toedoen sprake is, onvoldoende gemotiveerd. Anders dan de onderdelen tot uitgangspunt nemen, kan evenwel voor toerekening van schijn van volmachtverlening aan een onbevoegd vertegenwoordigde persoon ook plaats zijn indien de derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat een toereikende volmacht was verleend op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde partij komen en waaruit naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (vgl. HR 19 februari 2010, LJN BK7671, NJ 2010/115). Het hof is klaarblijkelijk van deze maatstaf uitgegaan, en heeft zijn (hiervoor in 3.3 onder (b) weergegeven) oordeel dat in de omstandigheden van dit geval aan deze maatstaf is voldaan, toereikend gemotiveerd. De onderdelen falen derhalve.”

Rechtsregel

Voor een geslaagd beroep op art. 3:61 lid 2 BW hoeft geen sprake te zijn van toedoen van de zijde van aansprakelijk gestelde, maar kunnen ook andere omstandigheden en feiten leiden tot schijn van volmachtverlening.

Relevante artikelen

Artikel 3:61 BW
1. Een volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend.
2. Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.
3. Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende.

Andere relevante jurisprudentie