Hartman/Bakker-arrest


Onderwerpen ‐ Schijn van vertegenwoordiging, volmacht
Artikelen ‐ 3:35, 3:36 & 3:61 BW

De feiten

Transportbedrijf verwijdert een berg afgegraven grond en voert deze af naar stortterrein. Een van de alstoen aanwezige werknemers (de uitvoerder) bevestigt door ondertekening van een door de chauffeur geschreven briefje de opdracht tot verwijdering en vervoer. Werkgever – tot betaling aangesproken door het transportbedrijf – beroept zich erop dat de werknemer niet bevoegd was om opdrachten te verstrekken en daartoe ook de schijn niet is gewekt.

Rechtsvraag

Is de schijn van vertegenwoordiging gewekt?

Overwegingen

Het Hof heeft, na te hebben vastgesteld dat de werknemer geen wettelijk of statutair bevoegd vertegenwoordiger van de werkgever was en dat ook geen sprake was van een volmacht, de vraag onderzocht of de laatste op grond van het beginsel dat ten grondslag ligt aan de art. 3:35, 3:36 en 3:61 BW – waarmee het Hof kennelijk het oog heeft op het beginsel van opgewekt vertrouwen – niettemin aan de overeenkomst is gebonden. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het Hof heeft hierbij in de eerste plaats in aanmerking genomen dat de werknemer op de bouwplaats mede tot functie had het op uitvoeringsniveau leiding geven aan de werkzaamheden en dat dit zich ook uit strekte tot werkzaamheden door anderen dan werknemers van werkgever.

Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat het transportbedrijf heeft aangenomen en in de gegeven omstandigheden ook heeft mogen aannemen dat in de aanstelling door werkgever van werknemer als uitvoerder besloten ligt dat hem een toereikende volmacht is verleend om die overeenkomsten aan te gaan die naar verkeersopvattingen uit de vervulling van deze functie voortvloeien. Door deze omstandigheid van betekenis te achten voor de vraag of werkgever gebonden was aan de door werknemer tot stand gebrachte overeenkomst heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Rechtsregel

De HR beslist in haar arrest dat de schijn die is gewekt niet voldoende is om van een gerechtvaardigd vertrouwen op de al dan niet verleende volmacht te kunnen spreken. Bakker had moeten begrijpen dat de overeenkomst tot het afvoeren van vuile grond niet een heel gebruikelijke/alledaagse overeenkomst is. Er is aldus geen volmacht tot stand gekomen.

Relevante artikelen

Artikel 3:35 BW:

Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

Artikel 3:36 BW:

Tegen hem die als derde op grond van een verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, kan door degene om wiens verklaring of gedraging het gaat, met betrekking tot deze handeling op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan.

Artikel 3:61 BW:

1. Een volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend.

2. Is een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.

3. Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende.

Andere relevante jurisprudentie