De Tweedehands Volvo-arrest


Onderwerpen ‐ Verkrijging van beschikkingsonbevoegde, goede trouw verkrijger, onderzoek kentekenbewijs
Artikelen ‐ art. 3:86, 7:42 BW

De feiten

Een autohandelaar heeft met het oogmerk van doorverkoop een auto verkocht aan een collega-autohandelaar, die de auto heeft doorverkocht aan en afgeleverd bij thans verweerder in cassatie, zonder aan eiseres de koopprijs te hebben betaald. Het kentekenbewijs is bij eiseres gebleven. Verweerder heeft de koopprijs voldaan (aan zijn verkoper). Eiseres heeft teruggave van de auto en schadevergoeding gevorderd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de levering van de auto aan de collega-autohandelaar is geschied onder opschortende voorwaarde van betaling van de koopprijs; daarnaast heeft zij zich beroepen op het recht van reclame. Het hof heeft het vonnis waarbij de vordering is afgewezen, bekrachtigd. Het heeft in dat verband geoordeeld dat verweerder op het moment van aflevering van de auto te goeder trouw was in de zin van art. 3:86 en 7:42 BW, overwegende dat de door de Hoge Raad in zijn arrest van 4 april 1986, NJ 1986, 810, m.nt. WMK, geformuleerde regel omtrent het voor goede trouw vereiste onderzoek in het onderhavige geval niet van toepassing is aangezien die regel strekt tot bescherming van eigenaren die het bezit van hun auto door diefstal of verduistering hebben verloren, waarvan hier niet is gebleken. Hiertegen keert zich het cassatiemiddel.

Rechtsvraag

Is de door de HR geformuleerde regel, dat een verkrijger van een tweedehands auto ten minste de autopapieren moet hebben onderzocht wil hij te goeder trouw zijn en mag vertrouwen op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman, beperkt tot het geval dat de eigenaar van de auto het bezit daarvan heeft verloren door diefstal dan wel verduistering?

Overweging:

‘’Onderdeel 2.1, dat de Hoge Raad eerst zal behandelen, klaagt terecht dat deze oordelen blijk geven van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 3:86 BW. In het hiervoor genoemde arrest van 4 april 1986, dat betrekking heeft op het geval dat A een hem in eigendom toebehorende auto, alsmede de autopapieren met uitzondering van de kopie van deel III, vrijwillig meegeeft aan B, die de auto vervolgens verkoopt en levert aan C, die op zijn beurt verkoopt en levert aan D, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat — uitzonderingen daargelaten — de verkrijger van een tweedehands auto, wil hij ten tijde van zijn verkrijging te goeder trouw zijn, ten minste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel III van het kentekenbewijs) moet hebben onderzocht met het oog op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman. Er bestaat geen grond deze regel (waarbij uiteraard de achtereenvolgende wijzigingen in art. 17 van het Kentekenreglement in aanmerking te nemen zijn) te beperken tot het — zich naar het in cassatie onbestreden oordeel van het hof hier niet voordoende — geval dat de eigenaar van de auto het bezit daarvan heeft verloren door diefstal dan wel verduistering.’’

Rechtsregel

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 april 1986, NJ 1986, 810 , m.nt. WMK , waarin het ging om een geval van verduistering, geoordeeld dat de verkrijger van een tweedehandsauto — wil hij ten tijde van de verkrijging te goeder trouw zijn — ten minste de autopapieren (het kentekenbewijs en de kopie van deel Ⅲ van het kentekenbewijs) moet hebben onderzocht met het oog op de beschikkingsbevoegdheid van zijn voorman. Er bestaat geen grond deze regel (waarbij uiteraard de achtereenvolgende wijzigingen in art. 17 van het Kentekenreglement in aanmerking moeten worden genomen) te beperken tot het geval dat de eigenaar van de auto het bezit daarvan heeft verloren door diefstal dan wel verduistering. Deze regel geldt ook indien de eigenaar/verkoper zich op het recht van reclame beroept en de in art. 7:42 lid 1 BW bedoelde derde zich daartegen verweert met de stelling dat hij redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat dit recht zou worden uitgeoefend.

Relevante artikelen

Artikel 3:86 BW

Lid 1. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.

Lid 2. Rust op een in het vorige lid genoemd goed dat overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 anders dan om niet wordt overgedragen, een beperkt recht dat de verkrijger op dit tijdstip kent noch behoort te kennen, dan vervalt dit recht, in het geval van overdracht overeenkomstig artikel 91 onder dezelfde opschortende voorwaarde als waaronder geleverd is.

Lid 3. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:

a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of

b. het geld dan wel toonder- of orderpapier betreft.

Lid 4. Op de in het vorige lid bedoelde termijn zijn de artikelen 316, 318 en 319 betreffende de stuiting van de verjaring van een rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.

Art. 7:42 BW

Lid1. Tenzij de zaak in handen van de koper is gebleven, vervalt de bevoegdheid tot terugvordering wanneer de zaak overeenkomstig artikel 90 lid 1 of artikel 91 van Boek 3 anders dan om niet is overgedragen aan een derde die redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht zou worden uitgeoefend.

Lid 2. Is de zaak na de aflevering anders dan om niet in vruchtgebruik gegeven of verpand, dan is lid 1 van overeenkomstige toepassing.

Andere relevante jurisprudentie