Asha horeca-arrest


Onderwerpen ‐ Onrechtmatige daad Staat, schadevergoeding
Artikelen ‐ n.v.t.

De feiten

Asha stelt in deze zaak dat zij als gevolg van de in het kader van revitalisering van het stadshart genomen maatregelen en uitgevoerde werkzaamheden de gehele periode die met het project gemoeid is geweest, onafgebroken onevenredig groot nadeel ondervonden heeft, dat in redelijkheid niet voor haar rekening en risico hoort te blijven. Door bij de voorbereiding van die maatregelen en werkzaamheden op geen enkele wijze aandacht te besteden aan dit (voorzienbaar) nadeel voor Asha, terzake met haar geen enkel overleg te plegen en vervolgens (iedere) compensatie van nadeel te weigeren, handelt de Gemeente onrechtmatig jegens Asha. Op die grond vordert zij vergoeding van de door haar over de betrokken jaren geleden schade (derving van brutowinst), alsmede buitengerechtelijke kosten.

De rechtbank heeft de vordering grotendeels toegewezen. Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd en Asha niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering(en) en die vordering(en) mitsdien afgewezen.

Rechtsvraag

Heeft het Hof terecht geoordeeld dat Asha niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding?

Overweging

De Hoge Raad overweegt dat het hier gaat om schade die het gevolg is van besluiten waarvan de (on)rechtmatigheid in beginsel ter beoordeling aan de bestuursrechter dient te worden voorgelegd. De omstandigheid dat de betrokken besluiten formele rechtskracht hebben, brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat zij niet in strijd zijn met het in art. 3:4 lid 2 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Blijkens het arrest van het Hof is de vordering van Asha echter niet erop gebaseerd dat de Gemeente in strijd met art. 3:4 lid 2 heeft gehandeld.

Naar jurisprudentie van de Afdeling betekent de omstandigheid dat er geen sprake is van onevenredige schade in de zin van artikel 3:4 lid 2 Awb, in de zin dat de gestelde schade niet bij voorbaat in de weg staat aan het nemen van een rechtmatig besluit, niet dat er evenmin aanleiding is voor schadevergoeding op grond van het égalité-beginsel (d.w.z. het algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten). De omstandigheid dat het besluit in rechte onaantastbaar is geworden en van de rechtmatigheid ervan kan worden uitgegaan, staat niet in de weg aan de mogelijkheid voor een belanghebbende bij dat besluit om over toekenning van nadeelcompensatie alsnog een zuiver schadebesluit uit te lokken.

Er moet dus van worden uitgegaan dat in het onderhavige geval voor de aan de orde zijnde vordering een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. Asha heeft ook een verzoek om toekenning van nadeelcompensatie ingediend, doch heeft de Gemeente haar bezwaar tegen het negatieve besluit op dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Kennelijk heeft Asha tegen dat besluit geen beroep ingesteld.

De Hoge Raad overweegt dat gezien dit alles het Hof terecht heeft geoordeeld dat de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter meebrengt, dat de burgerlijke rechter het oordeel of een belanghebbende op grond van het égalité-beginsel recht heeft op vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van een of meer besluiten als in deze zaak aan de orde, dient over te laten aan de bestuursrechter en dat Asha derhalve niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in haar vorderingen.

Rechtsregel

Gezien de taakverdeling tussen civiele en administratieve rechter brengt mee dat de civiele rechter het oordeel of en belanghebbende recht heeft op schadevergoeding als gevolg van een besluit, heeft over te laten aan de bestuursrechter.

Andere relevante jurisprudentie