Cafe 't Brouwertje (Damen/Geho)-arrest


Onderwerpen ‐ Vertegenwoordiging
Artikelen ‐ 25 Hrw

De feiten

Damen heeft een café. Hij verkoop dit cafe in 1979, maar laat zich pas in augustus 1980 als eigenaar uitschrijven in het Handelsregister. Een half jaar eerder wordt op naam van het café een partij glaswerk besteld bij Geho. Deze bestelling wordt door medewerkers van het cafe afgehaald maar niet betaald. Geho kijkt in het handelsregister en ziet daarin dat Damen ten tijde van de bestelling eigenaar was van het café. Geho vordert betaling van Damen. Damen stelt dat dat hij de bestelling niet geplaatst heeft en dus niet hoeft te betalen.

Rechtsvraag
Geho stelt dat hij niet wist dat het café was verkocht, en dit bovendien niet uit het Handelsregister kon afleiden. Er werd een beroep gedaan op (het huidige) artikel 25 van de Handelsregisterwet (een feit dat niet in het Handelsregister staat kan een derde niet worden tegengeworpen). Damen stelde daartegenover dat Geho geen beroep op dit artikel kan doen, omdat Geho ten tijde van het aangaan van de verkoopovereenkomst het Handelsregister niet had geraadpleegd, maar pas later. Geho stelt dat het tijdstip van raadpleging geen rol speelt.

Overweging

Zowel kantonrechter en de rechter in hoger beroep hebben de vordering van Geho toegewezen.

Ook de HR ging hier in mee: “dat het in strijd met de behoeften van een vlot verlopend handelsverkeer zou zijn dat het register voor het afsluiten van elke transactie met het oog op een eventueel later van pas komen van een beroep op de voormelde bepaling [het huidige artikel 25 lid 3 Hrw] zou moeten worden geraadpleegd, nog afgezien van de moeilijkheden die dan ter zake van het bewijs van een zodanige raadpleging zouden ontstaan. Het belang van het handelsverkeer, welk belang de bepaling beoogt te dienen, noopt in verband daarmee tot toekenning aan die bepaling van een ruimere werking dan in het middel wordt bepleit, en wel in dier voege dat de in die bepaling genoemde inschrijvingsplichten aan de daar bedoelde derden de onjuistheid of onvolledigheid van de inschrijving niet kunnen tegenwerpen -- dus de ingeschreven gegevens tegen zich moeten laten gelden -- ongeacht of die derden in vertrouwen op de inschrijving hebben gehandeld dan wel eerst later het handelsregister hebben geraadpleegd.

Rechtsregel

Een partij moet kunnen vertrouwen op de gegevens in het Handelsregister, ook in de gevallen dat dit register niet werd geraadpleegd.

Relevante artikelen

Artikel 25 lid 3 Hrw:

Degene aan wie een onderneming toebehoort, de ingeschreven rechtspersoon of degene die enig feit heeft opgegeven of verplicht is enig feit op te geven, kan aan derden die daarvan onkundig waren niet de onjuistheid of onvolledigheid van de inschrijving of van de in artikel 24 bedoelde mededeling tegenwerpen. Met de inschrijving wordt de deponering van bescheiden gelijkgesteld.

Andere relevante jurisprudentie