Schriftelijke verklaringen-arrest


Onderwerpen ‐ Nemo tenetur-beginsel
Artikelen ‐ art. 29 Sv & 6 EVRM

De feiten

Op 1 juni 2007 is bij verdachte (een chemisch bedrijf) sprake geweest van de emissie van procesgas (titaantetrachloride). Naar aanleiding van dit incident is een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte begonnen. Hierbij is op basis van de Wet op de economische delicten (WED), de uitlevering van stukken (o.a. een interne rapport naar aanleiding van het interne onderzoek en een Tripod analyse) ter inbeslagneming gevorderd.

Rechtsvraag

Was de uitlevering van stukken in strijd met het recht van de verdachte om zichzelf niet te belasten?

Overweging

De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank geen kennis heeft genomen van de inhoud van de documenten, waardoor het niet kon oordelen of het nemo tenetur-beginsel geschonden is. Beslissend is immers of het bewijs van een, al dan niet in een document vervatte, verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen. Vandaar dat de Hoge Raad heeft beslist dat de uitspraak van de rechtbank (dat de verdachte niet aan de vordering hoefde te voldoen, omdat de documenten door de klaagster zijn vervaardigd en het bestaan van die documenten van haar wil afhankelijk is) niet in stand kan blijven en terugverwezen moet worden.

Rechtsregel

Beslissend voor de vraag of het nemo tenetur-beginsel, het verbod op zelfincriminatie, is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een al dan niet in een document vervatte verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen. Het antwoord op deze vraag hangt af van de aard van de in het document vervatte verklaring, waarbij de omstandigheid dat verdachte de verklaring zelf heeft vervaardigd niet beslissend is.

Relevante artikelen

Artikel 29 Sv:
Lid 1. In alle gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord, onthoudt de verhoorende rechter of ambtenaar zich van alles wat de strekking heeft eene verklaring te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid is afgelegd. De verdachte is niet tot antwoorden verplicht.
Lid 2. Voor het verhoor wordt de verdachte medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.
Lid 3. De verklaringen van den verdachte, bepaaldelijk die welke eene bekentenis van schuld inhouden, worden in het proces-verbaal van het verhoor zooveel mogelijk in zijne eigen woorden opgenomen. De mededeling bedoeld in het tweede lid wordt in het proces-verbaal opgenomen.

Article 6 EVRM - Right to a fair trial
Lid 1. In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law. Judgment shall be pronounced publicly but the press and public may be excluded from all or part of the trial in the interests of morals, public order or national security in a democratic society, where the interests of juveniles or the protection of the private life of the parties so require, or to the extent strictly necessary in the opinion, of the court in special circumstances where publicity would prejudice the interests of justice.
Lid 2. Everyone charged with a criminal offence shall be presumed innocent until proved guilty according to law.
Lid 3. Everyone charged with a criminal offence has the following minimum rights:
(a) to be informed promptly, in a language which he understands and in detail, of the nature and cause of the accusation against him;
(b) to have adequate time and facilities for the preparation of his defence;
(c) to defend himself in person or through legal assistance of his own choosing or, if he has not sufficient means to pay for legal assistance, to be given it free when the interests of justice so require;
(d) to examine or have examined witnesses against him and to obtain the attendance and examination of witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him;
(e) to have the free assistance of an interpreter if he cannot understand or speak the language used in court.

Artikel 18 Wet economische delicten:
Lid 1. De opsporingsambtenaren zijn in het belang van de opsporing bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Lid 2. Voor inbeslagneming van voorwerpen ter verbeurdverklaring uit hoofde van artikel 7, onder e, behoeven zij evenwel de machtiging van de officier van justitie.

Andere relevante jurisprudentie