Antillianen in Groningen-arrest


Onderwerpen ‐ Redelijk vermoeden van schuld, fouilleren
Artikelen ‐ Artt. 27 & 54 Sv, Art. 7 Politiewet

De feiten

De opsporingsambtenaren bevonden zich op het Guyot-plein te Groningen, dat bekend staat vanwege de drugsoverlast door handelaren en gebruikers. Hier werd een auto aangehouden met daarin drie Antillianen. De auto werd aangehouden omdat de bestuurder (kentekenhouder) gesignaleerd stond voor een onherroepelijk vonnis. Toen de passagiers gevraagd werd waar zij vandaan kwamen, gaven zij aan dat zij uit het westen van het land kwamen. Bij één van de opsporingsambtenaren was het bekend dat met enige regelmaat personen uit het westen van het land komen om verdovende middelen te verhandelen. De bestuurder van de auto en verdachte werden aangehouden. De derde passagier mocht gaan. De opsporingsambtenaren onderwierpen de twee Antillianen vervolgens aan een veiligheidsfouillering voordat zij in de politieauto werden afgevoerd. Hierbij werd heroïne in de schoen van verdachte aangetroffen.

Rechtsvraag

Bestond een redelijk vermoeden van schuld tegen verdachte en was dus sprake van een rechtmatige fouillering?

Overweging

Het hof was van oordeel dat er sprake was van een veiligheidsfouillering conform art. 8 lid 3 Politiewet 1993 (inmiddels vervangen door de Politiewet 2012). Jegens verdachte, bestond een redelijk vermoeden van schuld m.b.t. een opiumdelict (zie de feiten: locatie stond bekend vanwege drugsoverlast, met enige regelmaat personen uit het westen die verdovende middelen vervoerden). Verdachte werd hiervoor, ex. art. 54 lid 3 Sv, aangehouden en verbalisanten hebben vervolgens verdachte en de bestuurder van de auto aan hun kleding onderzocht om hun eigen veiligheid te verzekeren tijdens het vervoer per politieauto. Volgens de Hoge Raad geeft deze rechtsopvatting geen blijk van enige onjuistheden. Het cassatiemiddel is dus tevergeefs voorgesteld.

Rechtsregel

Aangezien sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een opiumdelict, was de veiligheidsfouillering (ex. art. 8 lid 3 Politiewet 1993) aan de kleding van verdachte na de aanhouding rechtmatig, om de veiligheid van de opsporingsambtenaren te waarborgen.

Relevante artikelen

art. 27 Sv:
Lid 1. Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit.

Art. 54 Sv:
Lid 3. Kan ook het optreden van een dier hulpofficieren niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd den verdachte aan te houden, onder verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor den officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid. Op den hulpofficier voor wien de verdachte wordt geleid, is de tweede zin van het voorgaande lid van toepassing.

Art. 8 Politiewet 1993 (inmiddels terug te vinden in art. 7 lid 3 Politiewet 2012):
Lid 3. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd tot het onderzoek aan de kleding van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

Andere relevante jurisprudentie