ABN Amro/VEB-arrest


Onderwerpen ‐ Verkoop van de vennootschap
Artikelen ‐ 2:8, 2:9, 2:107a BW

De feiten

De Britse bank Barclays wil ABN AMRO inlijven, maar wel zonder LaSalle. Het bestuur van ABN AMRO wil graag samengaan met Barclays, en heeft (mede om Barclays te plezieren) LaSalle afgestoten aan Bank of America. Dit tegen de zin van het bankenconsortium rond het Belgische Fortis en Royal Bank of Scotland. Zij willen ABN AMRO ook kopen – inclusief LaSalle.
Door de verkoop van LaSalle houdt de interesse van RBS voor ABN op en wordt een biedingsstrijd tussen Barclays en het consortium de nek omgedraaid. Enkele aandeelhouders zijn daarom ontevreden en tellen beroep in bij de Ondernemingskamer (OK). Zij verzoeken de verkoop van LaSalle tegen te houden middels een onmiddellijke voorziening. Volgens hen had op grond van artikel 2:107a BW toestemming voor de verkoop gevraagd moeten worden aan de ava.

Rechtsvraag

Was de verkoop van LaSalle onrechtmatig?

Overweging

De OK treft een voorlopige voorziening waardoor de verkoop van LaSalle opgeschort wordt. De HR gaat hier tegenin: bij het ontbreken van wettelijke of statutaire regeling bestaat géén goedkeuringsrecht van ava of consultatieplicht van bestuur enkel op grond van regels van ongeschreven recht (art. 2:8-9 BW) of analoge toepassing van 2:107a BW.

Rechtsregel

Zonder wettelijke of statutaire grondslag is er geen verplichting voor het bestuur tot consultatie van de ava. Artikel 2:107a BW dient restrictief te worden uitgelegd, pas als een bestuursbesluit dermate ingrijpend is dat daardoor de identiteit en het karakter van de onderneming veranderen, en daarmee de aard van het aandeelhouderschap, kan zij van toepassing zijn.

Relevante artikelen

Artikel 2:8 BW
Lid 1. Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
Lid 2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Artikel 2:9 BW
Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk terzake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem is te wijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

Artikel 2:107a BW
Lid 1. Aan de goedkeuring van de algemene vergadering zijn onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming, waaronder in ieder geval:
a. overdracht van de onderneming of vrijwel de gehele onderneming aan een derde;
b. het aangaan of verbreken van duurzame samenwerking van de vennootschap of een dochtermaatschappij met een andere rechtspersoon of vennootschap dan wel als volledig aansprakelijke vennote in een commanditaire vennootschap of vennootschap onder firma, indien deze samenwerking of verbreking van ingrijpende betekenis is voor de vennootschap;
c. het nemen of afstoten van een deelneming in het kapitaal van een vennootschap ter waarde van ten minste een derde van het bedrag van de activa volgens de balans met toelichting of, indien de vennootschap een geconsolideerde balans opstelt, volgens de geconsolideerde balans met toelichting volgens de laatst vastgestelde jaarrekening van de vennootschap, door haar of een dochtermaatschappij.
Lid 2. Het ontbreken van de goedkeuring van de algemene vergadering op een besluit als bedoeld in lid 1 tast de vertegenwoordigingsbevoegdheid van bestuur of bestuurders niet aan.
Lid 3. Indien de vennootschap krachtens wettelijke bepalingen een ondernemingsraad heeft ingesteld, wordt het verzoek om goedkeuring niet aan de algemene vergadering aangeboden, dan nadat de ondernemingsraad tijdig voor de datum van oproeping als bedoeld in artikel 114 in de gelegenheid is gesteld hierover een standpunt te bepalen. Het standpunt van de ondernemingsraad wordt gelijktijdig met het verzoek om goedkeuring aan de algemene vergadering aangeboden. De voorzitter of een door hem aangewezen lid van de ondernemingsraad kan het standpunt van de ondernemingsraad in de algemene vergadering toelichten. Het ontbreken van dat standpunt tast de besluitvorming over het verzoek om goedkeuring niet aan.
Lid 4. Voor de toepassing van lid 3 wordt onder de ondernemingsraad mede verstaan de ondernemingsraad van de onderneming van een dochtermaatschappij, mits de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam zijn. Is er meer dan één ondernemingsraad, dan wordt de bevoegdheid door deze raden gezamenlijk uitgeoefend. Is voor de betrokken onderneming of ondernemingen een centrale ondernemingsraad ingesteld, dan komt de bevoegdheid toe aan de centrale ondernemingsraad.

Andere relevante jurisprudentie