Gielkens/Gielkens-arrest


Onderwerpen ‐ Bezit, houderschap, eigendom, bewijslast
Artikelen ‐ 3:190 BW, 3:119 BW

De feiten

De zaak gaat tussen broer en zus. De zus heeft een zieke zoon, die ze geregeld moet bezoeken in het ziekenhuis. Ze heeft alleen geen rijbewijs. Ze koopt desondanks een auto die haar broer (die wel een rijbewijs heeft) voor haar gaat houden. De broer gebruikt de auto, maar moet zijn zus in ruil daarvoor af en toe naar het ziekenhuis rijden.
Op een gegeven moment krijgen ze ruzie, en de zus vordert de auto op bij haar broer. Die stelt dat hij de auto van haar heeft gekregen en weigert de auto af te geven.

Rechtsvraag


Op wie rust de bewijsplicht van eigendom?

Overweging

Uitgangspunt is dat wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden (3:109 BW), en dat de bezitter van een goed vermoed wordt rechthebbende te zijn (3:119 BW). Echter overwoog de HR dat in bepaalde omstandigheden van het geval en met het oog op wat er over en weer is verklaard, door de rechter bepaald kan worden dat de bewijslast van eigendom toch bij de bezitter kan liggen.

Rechtsregel

Het staat de rechter vrij om, in bepaalde omstandigheden van het geval en met het oog op wat er over en weer is verklaard, de vermoedens uit 3:109 en 3:119 BW zodanig zijn weerlegd dat de bezitter zijn geprentendeerde eigendomsrecht zal hebben te bewijzen.

Relevante artikelen

Artikel 3:109 BW
Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden.

Artikel 3:119 lid 1 BW
De bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn.

Andere relevante jurisprudentie