Van der Wal/Duinstra-arrest


Onderwerpen ‐ Houderschap, goede trouw, retentierecht
Artikelen ‐ 3:118 BW, 3:120 BW, 3:124 BW, 3:295 BW, 3:291 BW

De feiten

Duinstra heeft een boot, deze wordt in 1991 gestolen. De boot wordt in 1995 teruggevonden in de loods van Van der Wal. De boot is door de dief in bewaring gegeven bij Van der Wal, Van der Wal kende deze persoon echter niet. Van der Wal laat de boot echter niet zomaar meenemen: hij vordert krachtens art. 3:120 BW (retentierecht) jo. 3:124 BW vergoeding van stallingkosten. Duinstra weigert dit te betalen, daarom vordert Van der Wal zelfs de boot terug krachtens artikel 3:295 BW.

Rechtsvraag

Komt het retentierecht ook de houder van een gestolen zaak toe?

Overweging

Het Hof meende dat de goede trouw van de houder ontbrak (hij kende de bewaargever niet en heeft ook geen onderzoek gedaan). Anders dan de bezitter wordt goede trouw bij een houder niet vermoed zoals bij artikel 3:118 lid 1 BW, en kan hij krachtens artikel 3:120 lid 3 BW dan ook geen gebruik maken van het retentierecht. De in art. 3:295 BW aan de schuldeiser/retentor gegeven mogelijkheid om een zaak die uit zijn macht is geraakt op te eisen kan volgens het Hof niet worden uitgeoefend tegen de eigenaar van de zaak.

Rechtsregel

Anders dan bij de bezitter wordt de goede trouw van de houder niet verondersteld; zowel bij de toepassing van art. 3:124 BW (opeising van het goed door een derde als rechthebbende) als bij de toepassing van art. 3:291 lid 2 BW (werking van retentierecht tegen derden met ouder recht) rusten op de houder de stelplicht en bewijslast ter zake van de feiten en omstandigheden die de gevolgtrekking wettigen dat hij te goeder trouw is. De vordering op grond van art. 3:295 BW (opeising van het goed door de retentor) kan niet worden ingesteld tegen de eigenaar.

Relevante artikelen

Artikel 3:118 lid 3 BW

Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen.

Artikel 3:120 lid 3 BW

Zolang een bezitter te goeder trouw de hem verschuldigde vergoeding niet heeft ontvangen, is hij bevoegd de afgifte van het goed op te schorten.

Artikel 3:124 BW

Wanneer iemand een goed voor een ander houdt en dit door een derde als rechthebbende van hem wordt opgeëist, vindt hetgeen in de voorgaande vier artikelen omtrent de bezitter is bepaald, te zijnen aanzien toepassing met inachtneming van de rechtsverhouding waarin hij tot die ander stond.

Artikel 3:195 BW

Raakt de zaak uit de macht van de schuldeiser, dan kan hij haar opeisen onder dezelfde voorwaarden als een eigenaar.

Artikel 3:191 lid 2 BW

Hij kan het retentierecht ook inroepen tegen derden met een ouder recht, indien zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of hij geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen.

Andere relevante jurisprudentie