Verkeersmaatregelen Amsterdam-arrest


Onderwerpen ‐ Belangenafweging voorlopige voorziening
Artikelen ‐ Artikel 1:3 lid 1 Awb, artikel 8:81 Awb

De feiten

Verweerder heeft in het weekblad Echo van 5 januari 2005 gepubliceerd dat vanaf maandag 17 januari 2005 de Dienst Waterbeheer en Rioleringen (DWR) de rioolleiding in de Adriaan Loosjesstraat en de Stentostraat, tussen de Pandorinastraat en de Eudorinastraat vervangt. Daarbij is bericht dat tijdens het werk er geen doorgaand verkeer over de Adriaan Loosjesstraat en de Stentorstraat mogelijk is en dat er een omleidingsroute geldt via het Zuideinde en de nieuwe busbaan.

Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechter) gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers bezwaren richtten zich tegen de beslissing van verweerder om regulier verkeer gebruik te laten maken van de busbaan.

Rechtsvraag

Is in casu het treffen van een voorlopige voorziening vereist gelet op de betrokken belangen?

Overweging

De rechter is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van zodanig gewijzigde omstandigheden dat hij zich niet langer gebonden hoefde te achten aan eerder gedane toezeggingen, hoe stellig en ongeclausuleerd deze in dit geval ook zeker zijn gedaan.Tot die gewijzigde omstandigheden behoren in dit geval de kennis en ervaring die zijn opgedaan met de gekozen oplossing waarbij een geprojecteerde alternatieve route via de ring A10 kennelijk niet, en sluiproutes door de wijk wel door automobilisten zijn gebruikt met alle onveilige situaties van dien.

Onder deze omstandigheden is de rechter van oordeel dat het beroep van verzoeker, hoe zeer zijn ergernis op dit punt ook is te begrijpen, op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet voor honorering in aanmerking komt.

Vervolgens is de rechter van oordeel dat, gelet op de bevindingen van de politie en de gegeven alternatieve omrijroutes, niet gesteld kan worden dat verweerder de relevante belangen onredelijk tegen elkaar heeft afgewogen. Daarbij is meegewogen dat verweerder onder ogen heeft gezien dat het openstellen van de busbaan voor regulier verkeer nadelige gevolgen heeft voor de omwonenden, maar heeft gemeend dat deze niet opwegen tegen andere bezwaren. Tevens is meegewogen dat voorde omwonenden het openstellen van de busbaan ontegenzeggelijk extra overlast met zich zal brengen. Nu het in dit verband om een beperkte periode gaat, is de rechter van oordeel dat de gemaakte belangenafweging ook voor wat betreft dit punt niet onredelijk is.

Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid en genomen overweegt de rechter het volgende. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de communicatie met de omwonenden van de busbaan, zeker gelet op de aan de onderhavige verkeersmaatregel voorafgaande besluitvorming, te wensen heeft overgelaten. Het vorenstaande doet echter niet af aan de argumenten van verweerder om uit het oogpunt van verkeersveiligheid de busbaan te willen openstellen. Het ligt in de rede dat verweerder in de toekomst als er, zoals thans wordt voorzien, weer een afsluiting van de Adriaan Loosjesstraat plaatsvindt, aan de communicatie met omwonenden over een te treffen maatregel zorgvuldig en tijdig aandacht besteedt

Uit het vorenstaande volgt, dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar stand zal kunnen houden.
Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

Rechtsregel

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.

Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

Relevante artikelen

Art. 1:3 Awb
1. onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Aanvulling: Blijkens de wetsgeschiedenis is met het woord ‘rechtshandeling’ in dit artikellid bedoeld aan te geven dat het moet gaan om een rechtshandeling die is gericht op rechtsgevolg. Daarvan is sprake indien is beoogd om een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel om de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen. Het is derhalve niet beslissend of een bepaald besluit rechtsgevolgen voortvloeien; de rechtshandeling moet zijn gericht op het ontstaan van die rechtsgevolgen.

Art. 8:81 Awb
Lid 1. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Lid 2. Indien bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door een partij in de hoofdzaak.
Lid 3.Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door de indiener van het bezwaarschrift, onderscheidenlijk door de indiener van het beroepschrift of door de belanghebbende die geen recht heeft tot het instellen van administratief beroep.
Lid 4. De artikelen 6:4, derde lid , 6:5 , 6:6 , 6:14 , 6:15 , 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing. De indiener van het verzoekschrift die bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, legt daarbij een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift over.
Lid 5. Indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de rechtbank in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Artikel 34 van het Besluit Administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)
Lid 1. Door het bevoegd gezag dan wel door het openbaar lichaam, dat het beheer heeft over een weg of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, door de eigenaar van de weg kunnen in de hierna genoemde omstandigheden en voor de duur van die omstandighedenverkeerstekens als bedoeld in artikel 12, worden geplaatst alsmede maatregelen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, worden uitgevoerd:
a. ingeval van de uitvoering van werken, opdooi, de doorweekte toestand van een weg of weggedeelte, dreigend gevaar of andere dringende omstandigheid van voorbijgaande aard;
b. ingeval van een door het wegverkeer veroorzaakte ernstige aantasting van voorbijgaande aard van de in het tweede lid, onder a, van artikel 2 van de wet genoemde belangen.

Art. 35 BABW de plaatsing van verkeerstekens en het uitvoeren van maatregelen, bedoeld in artikel 34, kunnen geschieden zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit.

Art. 37 BABW geschieden in afwijking van artikel 35 de tijdelijke plaatsing en de tijdelijke maatregel krachtens een verkeersbesluit indien de omstandigheden die tot de tijdelijke plaatsing of tot de tijdelijke maatregel leiden van langere duur zijn dan vier maanden dan wel zich regelmatig voordoen. Paragraaf 6 is alsdan van toepassing.

Andere relevante jurisprudentie