Belering paard-arrest


Onderwerpen ‐ Aansprakelijkheid voor dieren
Artikelen ‐ n.v.t.

De feiten

In de manege van Paardenhouderij ‘De Gulle Ruif’ werd het paard Loretta (eigendom van Van de Water) tegen betaling ondergebracht ter belering. Dit wil zeggen dat De Gulle Ruif het paard zou trainen, africhten en zadelmak maken.
Op 29 juli 1997 werd het paard door Van Gorkum, een werkneemster van De Gulle Ruif, in de kleine bak getraind. Na afloop van de training liet de schoondochter van Van de Water op verzoek van Van Gorkum het paard in de bak uitlopen. Van Gorkum verliet met zadel, stijgbeugelriem en dergelijke de bak. Op enig moment is de 10-jarige Marloes Kremers de bak ingelopen. Toen zij het paard passeerde, trapte het met een van de achterbenen achteruit. Marloes werd daarbij in het gezicht geraakt.
De ouders van Marloes hebben Van de Water aansprakelijk gesteld op grond van artikel 6:179 BW (aansprakelijkheid voor dieren van de bezitter). Van de Water heeft als verweer gevoerd dat de in artikel 6:179 BW bedoelde aansprakelijkheid niet op hem rust, maar op De Gulle Ruif, gelet op artikel 6:181 BW (aansprakelijkheid voor dieren in de uitoefening van een bedrijf).
De Rechtbank heeft dit verweer gegrond bevonden en ook het Hof oordeelde dat ingevolge artikel 6:181 BW de in artikel 6:179 BW bedoelde risicoaansprakelijkheid is komen te rusten op De Gulle Ruif.

Rechtsvraag

Is Van de Water aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW of De Gulle Ruif op grond van artikel 6:181 BW?

Overweging

In r.o. 3.3. oordeelt de Hoge Raad op basis van de parlementaire geschiedenis en doctrine over de werking van de artikelen 6:179 en 6:181 BW: Indien schade wordt aangericht door een dier is ingevolge artikel 6:179 BW, en behoudens de mogelijkheid van succesvol verweer op grond van de ‘tenzij-clausule’ aan het slot van deze bepaling, de bezitter van het dier voor die schade aansprakelijk. Wordt het dier echter gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan rust deze risicoaansprakelijkheid ingevolge artikel 6:181 BW niet op de bezitter, maar op degene die het bedrijf uitoefent. Artikel 6:181 BW, en daarmee ook de verlegging van de aansprakelijkheid die daardoor wordt bewerkstelligd, berust volgens de Hoge Raad, kort samengevat, enerzijds op de overweging dat de benadeelde niet behoort te worden belast met de moeilijkheden die inherent zijn aan het onderzoek naar en de bewijslevering betreffende de identiteit van de schuldenaar, en anderzijds op de eenheid van de onderneming in het kader waarvan het dier wordt gebruikt, het feit dat bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel zijn gericht op het verkrijgen van profijt, en het feit dat van een ondernemer kan worden gevergd dat hij zijn bedrijfsrisico als één risico verzekert. De door artikel 6:181 BW bewerkstelligde verlegging van aansprakelijkheid berust dus niet, ook niet mede, op de wil of toestemming van degene die het bedrijf uitoefent, maar op de wet. Daarbij verdient opmerking dat de in artikel 6:179 BW bedoelde aansprakelijkheid hetzij rust op de bezitter, hetzij op degene die het bedrijf uitoefent waarin het dier wordt gebruikt. Dit neemt niet weg dat ook een derde tegenover de benadeelde aansprakelijk kan zijn op de voet van artikel 6:162 BW. Is dit laatste het geval, dan heeft dit geen invloed op het ontstaan of de omvang van de hiervoor bedoelde risicoaansprakelijkheid. Evenmin komt daaraan betekenis toe bij de beantwoording van de vraag op wie de door artikel 6:179 BW in het leven geroepen risicoaansprakelijkheid rust.

Ten slotte wordt nog aangetekend dat bij de beantwoording van de vraag of de aansprakelijkheid van artikel 6:179 BW niet op de bezitter van het dier rust, maar – ingevolge artikel 6:181 BW – op degene die het bedrijf uitoefent waarin het dier wordt gebruikt, niet van belang is of degene die dit bedrijf uitoefent bezitter dan wel houder van het dier is, en ook niet of het doel waartoe het dier aldus wordt gebruikt, inmiddels bijna is bereikt. Evenmin mag in dit verband de eis worden gesteld dat hij het dier duurzaam en ten eigen nutte gebruikt.

Rechtsregel

Artikel 6:181 BW bewerkstelligt een verschuiving van de risicoaansprakelijkheid van de bezitter naar degene die het dier gebruikt in de uitoefening van zijn bedrijf. Het wijst geen tweede, alternatief aansprakelijke partij aan. De risicoaansprakelijkheid van artikel 6:179 BW laat echter onverlet dat ook een andere partij aansprakelijk kan zijn op grond van een gewone onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW.
Voor de beantwoording van de vraag op wie de risicoaansprakelijkheid voor schade toegebracht door een dier rust, is niet van belang of er op een partij een gewone aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad rust, of de bedrijfsmatig gebruiker de houder dan wel bezitter van het dier is, of het doel waartoe het dier gebruikt wordt bijna bereikt is, noch of het dier duurzaam en ten eigen nutte wordt gebruikt.

Andere relevante jurisprudentie