Melchemie-arrest


Onderwerpen ‐ Aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen
Artikelen ‐ Artikel 6:175 BW

De feiten

Sinds de jaren '80 heeft CMI goederen van Melchemie in opslag gehouden. Bij beschikking van 12 november 1993 heeft de gemeente Rotterdam aan CMI een hinderwetvergunning verstrekt voor de aan de Keilestraat te Rotterdam gelegen inrichting die bestemd is voor een op- en overslagbedrijf van koopmansgoederen en chemicaliën, waaronder gevaarlijke stoffen.
Bij brief van 13 juni 1995 heeft de Milieudienst Rijnmond CMI onder meer het volgende bericht:
“Op 11 mei 1995 is uw inrichting aan de Keilestraat 39 in Rotterdam bezocht door medewerkers van de DCMR Milieudienst Rijnmond. Hierbij is gecontroleerd op de naleving van de Wet milieubeheer en op de afvoer van afvalstoffen.” De overtredingen die hierbij zijn geconstateerd zijn daarbij vermeld.
Op 20 juni 1995 heeft de heer Beuker, logistiek manager zwembadchemicaliën van Melchemie, aan de heer De Jong, directeur van Melchemie, intern gerapporteerd over een bezoek van de heer Beije, directeur van CMI, aan Melchemie in Arnhem. In het rapport staat onder meer:
“Onlangs werd de heer Beije bezocht door een (jonge ambitieuze) ambtenaar van de hinderwet. Deze maakte hem duidelijk dat de voorraad chloorproducten niet conform de bestaande hinderwetvergunning was opgeslagen. Bij eerdere controles was er nooit een probleem (men kneep weleens een oogje toe). Nu echter dient CMI onverwijld de volgende aanpassingen te verrichten: (...)” De kosten van de aanpassingen zouden worden doorberekend aan Melchemie.
In februari 1996 hield CMI in loods 27 voor Delbanco een partij paardenhaar (‘horsehair and bristle’) in opslag. Op 28 februari 1996 is brand ontstaan in de naast loods 27 gelegen loods 29, waarin chemische stoffen van Melchemie, waaronder de oxiderende stof calciumhypochloriet (CH), waren opgeslagen. De brand in loods 29 is overgeslagen naar loods 27. Daardoor is de zending paardenhaar geheel verloren gegaan.
Met betrekking tot de oorzaak van de brand kan worden uitgegaan van het volgende. In loods 29 is een blauw vat met chemicaliën met een gewicht van 60 kg., dat in strijd met de veiligheidsvoorschriften door CMI nabij vaten met calciumhypochloriet was geplaatst, op vaten met calciumhypochloriet gevallen, waarbij calciumhypochloriet uit de verpakking is geraakt en met de chemicaliën uit het blauwe vat in aanraking is gekomen, als gevolg waarvan de brand is ontstaan.

Delbanco c.s. hebben Melchemie aansprakelijk gehouden voor de brandschade aan de zending paardenhaar, te vermeerderen met eventuele vernietigings- en opruimingskosten. Daarnaast hebben ze gevorderd voor recht te verklaren dat Melchemie aansprakelijk is voor de schade, ontstaan door de teloorgang van de genoemde zending paardenhaar, en Melchemie te veroordelen tot schadevergoeding. Melchemie zou jegens Delbanco toerekenbaar onrechtmatig gehandeld hebben door in strijd met haar zorgplicht – na de interne rapportage op 20 juni 1995 van door DCMR geconstateerde schendingen van veiligheidsvoorschriften, die haar had moeten doen betwijfelen of de stoffen bij CMI adequaat waren opgeslagen – na te laten de stoffen elders in bewaring te geven en ook andere ter voorkoming van de verwezenlijking van het aan de stoffen inherente gevaar van haar te vergen maatregelen te treffen, doch in plaats daarvan de aan CMI op grond van bewaarneming toevertrouwde hoeveelheid stoffen juist te vergroten.
Melchemie stelt dat zij niet bekend was met de inhoud van de aan CMI verstrekte hinderwetvergunning, dat zij, mede gelet op de toon van het bezoekrapport, midden jaren negentig, niet behoefde te beseffen dat sprake was van een serieuze bedreiging van de veiligheid en niet spontaan behoefde te onderzoeken of CMI als professioneel bewaarder, die zij juist met het oog op de opslag van de onderhavige stoffen in de arm had genomen, de vergunningsvoorschriften naleefde. Voorts bestrijdt Melchemie dat causaal verband bestaat tussen de beweerde schending van haar zorgplicht en de schade.

De Rechtbank heeft de vordering van Delbanco c.s. afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat Melchemie jegens Delbanco c.s. aansprakelijk is voor de schade en gehouden is tot betaling van schadevergoeding.

Rechtsvraag

Kan Melchemie op grond van artikel 6:175 BW aansprakelijk gehouden worden voor de schade geleden door Delbanco c.s.?

Overweging

De Hoge Raad zet eerst de werking van artikel 6:175 BW uiteen (r.o. 4.1):
Degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een gevaarlijke stof gebruikt of onder zich heeft, waarvan bekend is dat die zodanige eigenschappen bezit, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, is, ingevolge artikel 6:175 lid 1 BW, aansprakelijk wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. Bevindt deze stof zich echter in de macht van een bewaarder die er zijn bedrijf van maakt een zodanige stof op te slaan, dan rust deze aansprakelijkheid uit het eerste lid op de bewaarder. Deze verlegging van de risicoaansprakelijkheid van de gebruiker naar de bewaarder staat echter niet eraan in de weg dat de gebruiker wegens een in zijn eigen onrechtmatig handelen of nalaten bestaande schending van een op hem rustende zorgplicht met betrekking tot de in bewaring gegeven gevaarlijke stof, op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is.

Of de bewaargever heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt door zijn zorgplicht te schenden, moet worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. Daarbij moet in het bijzonder acht worden geslagen op de kans op schade, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid van te nemen voorzorgsmaatregelen, maar ook op de bij de bewaargever als beroeps- of bedrijfsmatig gebruiker aanwezig te achten kennis van:
- de geldende veiligheidsvoorschriften voor opslag van de bewuste stof;
- (de specifieke) overtredingen van die veiligheidsvoorschriften;
- de kans op verwezenlijking van het aan de stof inherente bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken als gevolg van die overtredingen;
- andere aldaar opgeslagen stoffen en de gevaren die (kunnen) ontstaan als de stoffen met elkaar in aanraking komen;
- de opslagmethoden, nodig om een aan de gehanteerde wijze van opslaan verbonden gevaar te kunnen onderkennen;
- de redelijkerwijs te treffen maatregelen om de verwezenlijking van de hiervoor genoemde gevaren te voorkomen, de mate van urgentie van het treffen van zodanige maatregelen en het tijdsbestek waarbinnen zij zouden kunnen worden gerealiseerd.
Het Hof heeft niet alle omstandigheden voldoende in aanmerking genomen. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof.

Rechtsregel

Op de gebruiker van een gevaarlijke stof rust ook na de bewaargeving van die stof een zorgplicht ten aanzien van die stof. Schending van die zorgplicht leidt op basis van een gewone onrechtmatige daad tot aansprakelijkheid. Voor de beoordeling van de schending zijn van belang: de kans op schade, de aard en ernst van de eventuele schade, de bezwaarlijkheid van te nemen voorzorgsmaatregelen en de bij de bewaargever als beroeps- of bedrijfsmatig gebruiker aanwezig te achten kennis over gevaren, veiligheidsvoorschriften en mogelijke voorzorgsmaatregelen ten aanzien van de stof.

Andere relevante jurisprudentie