Koeman/Sijm Agro-arrest


Onderwerpen ‐ Aansprakelijkheid van opdrachtgever voor niet-ondergeschikte
Artikelen ‐ Artikel 6:171 BW

De feiten

Koeman, een bloembollenteler, had opdracht gegeven aan De Wit om een bij haar in gebruik zijnd perceel grasland te bespuiten met een bestrijdingsmiddel. Naast dit perceel lag een perceel van Sijm Agro, waarop penen werden gekweekt. Negen maanden na het bespuiten van het perceel van Koeman, constateerde Sijm/Agro schade aan een partij penen. Uit deskundigenonderzoek is gebleken dat de schade het gevolg was van de spuitwerkzaamheden.
Sijm/Agro heeft Koeman aangesproken tot betaling van schadevergoeding op grond van artikel 6:171 BW.
Zowel de Rechtbank als het Hof hebben de vordering van Sijm/Agro toegewezen.

Rechtsvraag

Kan Koeman aansprakelijk worden gehouden op grond van artikel 6:171 BW (risicoaansprakelijkheid van de opdrachtgever voor een niet-ondergeschikte)?

Overweging

De Hoge Raad citeert de overweging van het Hof: “Een en ander brengt mee dat – gelet op de verwevenheid van het handelen van Koeman met het handelen van De Wit – de inbreng van Koeman dermate groot is geweest dat Koeman en De Wit wel degelijk kunnen worden beschouwd als een zekere eenheid, alsmede dat sprake is van het uitoefenen van activiteiten door De Wit die tot de werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf van Koeman behoren. Hieraan doet niet af, zoals Koeman c.s. (lees:) stellen, dat het voor Sijm Agro van meet af aan duidelijk was dat De Wit de bespuitingswerkzaamheden heeft verricht, aangezien zich – gelet op de inbreng van Koeman – wel degelijk een situatie voordoet waardoor het voor een buitenstaander onduidelijk is wie voor wat verantwoordelijk is en tot wie hij zich in verband daarmee nu eigenlijk moet richten. De inbreng van ieder van hen is immers voor een buitenstaander als Sijm Agro niet van meet af aan bekend.”
Het oordeel dat sprake is van werkzaamheden ter uitoefening van het bedrijf geeft volgens de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd.
Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat artikel 6:171 BW weliswaar onder meer berust op de gedachte dat een buitenstaander veelal niet kan onderkennen of de schade te wijten is aan een fout van een ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, maar dat brengt niet mee dat de bepaling toepassing zou missen in een geval waarin het de benadeelde duidelijk is dat de schade is veroorzaakt door een fout van een niet-ondergeschikte.

Rechtsregel

Of sprake is van werkzaamheden verricht in de uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever hangt af van het antwoord op de vraag wat wel of niet tot de bedrijfsuitoefening van de opdrachtgever behoort.
Niet van belang is of de benadeelde al dan niet weet dat de schade veroorzaakt is door een niet-ondergeschikte. In beide gevallen kan de benadeelde een beroep doen op artikel 6:171 BW.

Andere relevante jurisprudentie