Dijkdoorbraak Wilnis-arrest


Onderwerpen ‐ Aansprakelijkheid voor opstallen
Artikelen ‐ Artikel 6:174 BW

De feiten

Het Hoogheemraadschap is eigenaar en beheerder van de tussenboezemkade langs de Ringvaart in Wilnis, behorende tot het grondgebied van de Gemeente. Deze kade is een veendijk, ontstaan tijdens de drooglegging van de polder. De kade is een secundaire, regionale waterkering, waarvoor geen wettelijke veiligheidsnormen bestaan. In de nacht van 25 op 26 augustus 2003 is de kade over een lengte van 60 meter ongeveer 5,5 tot 7,5 meter in de richting van een achterliggende woonwijk in Wilnis verschoven, waardoor ongeveer 230.000 m3 water de woonwijk is ingestroomd.
De Gemeente vordert op grond van art. 6:174 lid 1 BW veroordeling van het Hoogheemraadschap tot vergoeding van de door haar als gevolg van de kadeverschuiving geleden schade.

Anders dan de Rechtbank, heeft het Hof het Hoogheemraadschap aansprakelijk geoordeeld op de voet van artikel 6:174 BW. De kade, die volgens zowel de Rechtbank als het Hof als opstal moet worden aangemerkt, voldeed naar het oordeel van het hof niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, waarbij het Hof, eveneens anders dan de Rechtbank, geen belang hechtte aan de stand van de kennis en techniek ten tijde van de kadeverschuiving.

Rechtsvraag

Kan de kade, een (natuurlijke) veendijk, worden aangemerkt als opstal? En zo ja, was deze gebrekkig?

Overweging

Ten aanzien van de vraag of de veendijk als opstal moet worden aangemerkt, oordeelt de Hoge Raad als volgt (zie r.o. 4.3.2): Uit de in lid 4 van artikel 6:174 BW gegeven (ruime) definitie van het begrip 'opstal' kan worden afgeleid dat een (bouw)werk in de zin van deze bepaling naar zijn aard niet louter langs natuurlijke weg tot stand kan komen, maar dat daarvoor menselijk ingrijpen is vereist dat heeft bijgedragen aan de (duurzame) bestemming of functie van dat werk. Ervan uitgaande dat het dijklichaam is ontstaan door uitgraving en drooglegging, is gevormd naar de inzichten in waterkeringen, in stand is gehouden overeenkomstig de daarvoor ontwikkelde richtlijnen en is voorzien van een in de grond aangebrachte beschoeiing, is het oordeel van het Hof dat de veendijk een opstal is in de zin van artikel 6:174 BW juist.

Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het volgens de Hoge Raad aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (r.o. 4.4.4). Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met factoren als de aard en bestemming van de kade (een publiek toegankelijke dijk), de waarborgfunctie van de veendijk (bescherming van omwonenden tegen water), de fysieke toestand van de kade ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar, de naar objectieve maatstaven te beoordelen kenbaarheid van het gebrek en het daaraan verbonden gevaar van kadeverschuiving, de bij de uitvoering van zijn publieke taak aan het Hoogheemraadschap toekomende beleidsvrijheid en de financiële middelen die hem in dat verband ten dienste staan. In tegenstelling tot het oordeel van het Hof moet daarbij volgens de Hoge Raad mede gelet worden op de toenmalige stand van de wetenschap en de techniek en de daadwerkelijke (technische) mogelijkheid van het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof.

Rechtsregel

Artikel 6:174 lid 4 BW geeft een ruime definitie van het begrip ‘opstal’. Vereist is dat het werk niet louter langs natuurlijke weg is ontstaan, maar dat menselijk handelen heeft bijgedragen aan de functie of bestemming van het werk.
De vraag of een opstal gebrekkig is, moet naar objectieve maatstaven worden beantwoord. Van belang is de kans op verwezenlijking van het gevaar en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Er moet derhalve rekening gehouden worden met factoren als de aard en bestemming, de waarborgfunctie, de fysieke toestand ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar, de naar objectieve maatstaven te beoordelen kenbaarheid van het gebrek en het daaraan verbonden gevaar, de beleidsvrijheid ten aanzien van het werk en de financiële middelen van de eigenaar. De toenmalige stand van de wetenschap en techniek en de daadwerkelijke (technische) mogelijkheid van het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen spelen bij de beoordeling mede een rol.

Andere relevante jurisprudentie