Hangmat-arrest


Onderwerpen ‐ Aansprakelijkheid voor opstallen, medebezitter
Artikelen ‐ Artikel 6:174 BW

De feiten

Mevrouw A heeft in de tuin bij haar huis een hangmat opgehangen aan een gemetselde pilaar. Toen zij in de hangmat lag, is de pilaar kort boven de grond afgebroken en over haar heen gevallen. Hierbij liep zij een hoge complete dwarslaesie op. Verder brak zij haar kaak, neus, jukbeen, oogkas en een rib. Zij heeft na het ongeval tien weken op de IC-afdeling van het ziekenhuis gelegen en aansluitend gedurende tien maanden een revalidatietraject doorlopen. Mevrouw A zal door het ongeval haar armen en benen nooit meer kunnen gebruiken. Zij is voor de rest van haar leven rolstoelgebonden en volledig afhankelijk van de hulp van derden.
Mevrouw A en de heer B woonden reeds ten tijde van het ongeval samen in het huis. Toen mevrouw A in het ziekenhuis lag zijn zij ook getrouwd. Beiden hebben een aansprakelijkheidsverzekering.

Mevrouw A vordert te verklaren voor recht dat de heer B, haar echtgenoot, jegens haar aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en gedaagden te veroordelen tot vergoeding van alle door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade.
Zij baseert haar vordering uitdrukkelijk en uitsluitend op artikel 6:174 lid 1 BW, volgens welke bepaling de bezitter van een gebouw of werk aansprakelijk is indien dit gebouw of werk ten gevolge van zijn gebrekkige toestand gevaar oplevert voor personen of zaken en dit gevaar zich verwezenlijkt.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat mevrouw A jegens de heer B en Achmea in beginsel terecht een beroep doet op de aansprakelijkheid ex art. 6:174 BW, maar dat dit beroep slechts kan leiden tot een aansprakelijkheid voor maximaal 50% van de schade nu mevrouw A als medebezitter met een aandeel (in haar verhouding tot de medebezitter) van 50% in de opstal, dat deel van de schade zelf zal hebben te dragen.

Rechtsvraag

Is het mogelijk dat de ene (mede)bezitter de andere (mede)bezitter aansprakelijk stelt op grond van artikel 6:174 BW of vestigt dit artikel uitsluitend een risicoaansprakelijkheid jegens derden?

Overweging

In r.o. 4.3.1 en 4.3.2 geeft de Hoge Raad aan dat voor de beantwoording van de vraag of artikel 6:174 BW uitsluitend een risicoaansprakelijkheid vestigt jegens derden, dat wil zeggen jegens personen die niet de hoedanigheid van (mede)bezitter van die opstal hebben, in het bijzonder moet worden onderzocht of het relativiteitsvereiste aan vergoeding van de schade in de weg staat. Of aan het in artikel 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste is voldaan, hangt naar vaste rechtspraak ervan af wat het doel en de strekking is van de aansprakelijkheidsnorm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.

In de tekst van artikel 6:174 BW is de reikwijdte van de risicoaansprakelijkheid van de bezitter van de gebrekkige opstal niet beperkt, dus ook niet tot derden (in de zojuist omschreven betekenis) die als gevolg van het gebrek schade lijden. Dat de artikelen 6:169-172 BW, die wel uitdrukkelijk zien op schade aan derden, zijn opgenomen in dezelfde afdeling als artikel 6:174 BW, pleit eerder tegen de opvatting dat ook artikel 6:174 BW alleen derden op het oog heeft dan ervoor. De bewoordingen van artikel 6:174 BW en het wettelijk stelsel staan op zichzelf niet in de weg aan de door mevrouw A verdedigde opvatting.

Daarna bespreekt de Hoge Raad de parlementaire geschiedenis (r.o. 4.3.3). Aan de wetsgeschiedenis kan echter geen (voldoende) houvast worden ontleend ten gunste van het standpunt dat de wetgever de risicoaansprakelijkheid van de bezitter heeft willen beperken tot die jegens derden en dat hij aanspraken in situaties als de onderhavige heeft willen uitsluiten.

Vervolgens concludeert de Hoge Raad dat bij de geschetste stand van zaken, waarbij de wetgever aansprakelijkheid van de ene medebezitter jegens de andere niet heeft uitgesloten, hangt de te maken keuze af van wat naar maatschappelijke opvattingen, in aanmerking genomen de belangen van de benadeelde, de bezitter en de aansprakelijkheidsverzekeraar, het meest redelijk moet worden geacht als reikwijdte van art. 6:174 BW. Die keuze valt uit ten gunste van het standpunt van mevrouw A (r.o. 4.3.5). Het behoort immers tot de algemene doelstelling van de kwalitatieve aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW dat op de benadeelden niet het risico wordt afgewenteld dat niet of niet eenvoudig kan worden bepaald en bewezen wie voor de door het gebrek veroorzaakte schade eventueel aansprakelijk kan worden gehouden op grond van de schuldaansprakelijkheid van art. 6:162 BW. Deze beschermingsgedachte gaat evenzeer op voor de benadeelde medebezitter.

Verder draagt de Hoge Raad aan dat indien de medebezitter die schade lijdt ten gevolge van het gebrek geen enkele aanspraak zou hebben tegenover andere bezitters van de opstal, zou hij de schade volledig zelf moeten dragen en zouden de andere bezitters niets behoeven bij te dragen, hoewel ook zij in dezelfde relatie tot de gebrekkige opstal staan als de medebezitter die schade lijdt ten gevolge van het gebrek.

Ten aanzien van het percentage van de aansprakelijkheid oordeelt de Hoge Raad ten slotte als volgt: Redelijke wetstoepassing brengt mee dat de benadeelde medebezitter zelf dat gedeelte van de door hem geleden schade draagt dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal, zodat hij op grond van artikel 6:174 BW in zoverre geen aanspraak heeft op schadevergoeding jegens de andere medebezitter(s). Gelet daarop heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat de heer B als (enige) medebezitter jegens mevrouw A aansprakelijk is tot maximaal 50% van de schade.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechtsregel

Het is mogelijk voor de ene (mede)bezitter om de andere (mede)bezitter(s) aansprakelijk te stellen op grond van artikel 6:174 BW, indien hij/zij schade lijdt wegens een gebrekkige opstal. Wel draagt de benadeelde medebezitter zelf dat gedeelte van de door hem/haar geleden schade dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal.

Andere relevante jurisprudentie