Afwikkeling nalatenschap notaris Postma-arrest


Onderwerpen ‐ Teruggwerkende kracht nieuwe regeling, gerechtvaardigd vertrouwen
Artikelen ‐ Artikel 1:207 BW

De feiten

Postma jr. wordt in 1964 geboren en in 1973 erkend door de partner van zijn moeder, deze partner is niet zijn biologische vader. De erkenning wordt in 1974 door de rechtbank vernietigd.
Postma overlijdt in 1992, zonder een testament omtrent zijn nalatenschap te hebben opgesteld. Zijn neef Koster is als erfgenaam in het bezit van de nalatenschap. Postma jr. maakt in 1992 een procedure aanhangig tegen de neef en diens vrouw en stelt dat hij recht heeft op de nalatenschap omdat Postma hem verwekt heeft, dat deze zijn biologische vader is en dat hij daarom diens erfgenaam is. De vordering wordt afgewezen, omdat Posma jr. niet in familierechtelijke betrekking tot Postma heeft gestaan. In hoger beroep en cassatie wordt Postma jr. niet ontvankelijk verklaard.
In 1998 treedt artikel 1:207 BW in werking, hetgeen de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap regelt. Het verzoek van Postma Jr. om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van Postma wordt toegewezen. Vervolgens maakt hij een nieuwe procedure aanhangig bij de rechtbank.

Rechtsvraag

Kan Koster (en zijn erfgenamen) bescherming ontlenen aan art. 1:207 lid 5 BW?

Overweging

De rechtbank heeft de vorderingen van Postma jr. grotendeels toegewezen en voor recht verklaard dat Postma jr. de enige erfgenaam is van Postma. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat Koster (en zijn erfgenamen) geen derden zijn in de zin van art. 1:207 lid 5 BW, alsmede tot afgifte van de nalatenschap.

Het Hof verwerpt de door Koster ingestelde grieven en bekrachtigd het vonnis van de rechtbank.
De Hoge Raad gaat vervolgens in op de uitleg van art. 1:207 lid 5 BW en oordeelt dat:
De terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaststelling heeft, zoals bepaald in art. 1:207 lid 5, tweede zin, geen gevolgen voor te goeder trouw verkregen rechten van derden. Onder derden zijn hier niet mede begrepen degenen die (reeds) voor de vaststelling als erfgenaam golden, hun rechtsopvolgers onder algemene titel evenmin. Een andere opvatting is immers onverenigbaar met de door het scheppen van de mogelijkheid van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap nagestreefde gelijkstelling, met name ook in erfrechtelijk opzicht, van kinderen die binnen huwelijk en kinderen die buiten huwelijk zijn geboren.

Rechtsregel

De terugwerkende kracht van de gerechtelijke vaststelling heeft, zoals bepaald in art. 1:207 lid 5, tweede zin, geen gevolgen voor te goeder trouw verkregen rechten van derden. Onder derden zijn hier niet mede begrepen degenen die (reeds) voor de vaststelling als erfgenaam golden, hun rechtsopvolgers onder algemene titel evenmin. Een andere opvatting is immers onverenigbaar met de door het scheppen van de mogelijkheid van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap nagestreefde gelijkstelling, met name ook in erfrechtelijk opzicht, van kinderen die binnen huwelijk en kinderen die buiten huwelijk zijn geboren.

Relevante artikelen

Art. 1:207 BW
Lid 5: De vaststelling van het vaderschap, mits de beschikking daartoe in kracht van gewijsde is gegaan, werkt terug tot het moment van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die heen heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek daardoor niet was gebaat.