Amercentrale-arrest


Onderwerpen ‐ Causaal verband, beperking aansprakelijkheid
Artikelen ‐ n.v.t.

De feiten

Op het terrein van de elektriciteitscentrale (Amercentrale) bevindt zich een tank voor opslag van stookolie. De tank ligt aan de rivier de Amer. Doordat de tank openklapt komt een groot gedeelte van de olie in de Amer. De olie verspreidt zich niet alleen over de Amer en haar oevers, ook naar via de Amer met haar in verbinding staande havens, vaarten en kreken. Tussen de PNEM, eigenaar van de tank, en haar verzekeringsmaatschappij bestaat onder andere verschil van mening over de vraag of de schade zoals derden die geleden hebben in voldoende causaal verband staat met het scheuren van de tank.

Rechtsvraag

Bestaat er voldoende causaal verband tussen de schade zoals derden die geleden hebben en het scheuren van de tank?

Overweging

Het Hof en de Hoge Raad gaan er beide vanuit dat er voldoende causaal verband bestaat tussen de geleden schade en het scheuren van de tank.
Het Hof is er kennelijk van uitgegaan, dat de tank is geconstrueerd door het aan elkaar lassen van metalen platen. Door op de grondslag hiervan te oordelen dat de tank moet worden aangemerkt als een gebouw in de zin van art. 1405 BW, heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting van dit artikel, omdat in die vaststelling ligt besloten dat de onderhavige constructie een bouwsel was dat naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven, waarbij niet van belang is of technisch de mogelijkheid zou hebben bestaan om het te verplaatsen. De uit art. 1405 voortvloeiende aansprakelijkheid moet worden beperkt tot die vormen van schade welke als typische gevolgen van de instorting van het desbetreffende gebouw kunnen worden beschouwd en mitsdien behoren tot het normale voor een eigenaar aan een dergelijke gebeurtenis verbonden risico. Olieverontreiniging van water en land behoort echter tot de typische gevolgen die van de instorting van een olietank zijn te verwachten (BW art. 1405).

Rechtsregel

Voor de beantwoording van de vraag hoever de aansprakelijkheid van de eigenaar gaat voor de gevolgen van de gehele of gedeeltelijke instorting van een gebouw ingevolge art. 1405, enerzijds moet worden bedacht dat de tekst van het artikel geen beperking tot bepaalde gevolgen inhoudt en dat ook de strekking van het artikel eerder voor een ruime dan voor een enge opvatting aangaande de omvang van de aansprakelijkheid van de eigenaar pleit; dat die aansprakelijkheid immers geacht moet worden zijn grond te vinden in de omstandigheid dat, indien door verzuim van onderhoud of door een gebrek in de bouwing of inrichting van een gebouw een instorting ontstaat waardoor schade aan derden wordt toegebracht, het veelal voor die derden moeilijk zo niet ondoenlijk zal zijn om degene op te sporen die voor het verzuim of het gebrek de schuld draagt; dat het artikel derhalve tot doel heeft om te voorkomen dat de benadeelden als gevolg van bedoelde moeilijkheid van schadevergoeding verstoken zouden blijven, en daarom de eigenaar aanwijst als degeen tegen wie de benadeelden in ieder geval hun desbetreffende vorderingen kunnen richten;
dat aan de andere kant het voor ons recht uitzonderlijk karakter van deze aansprakelijkheid, verbonden aan het in eigendom hebben van een bouwwerk, voor zonder schuld veroorzaakte schade grond geeft voor die aansprakelijkheid een nauwer verband tussen de schade en de gebeurtenis die daartoe de aanleiding gaf — de gehele of gedeeltelijke instorting van een gebouw — te verlangen dan bij toepassing van art. 1401 (art. 6:162 BW) kan worden geeist;
dat inachtneming van beide gezichtspunten leidt tot de conclusie dat, al kan de enge opvatting waarop het hier besproken onderdeel van het middel berust, niet worden aanvaard, niettemin de uit art. 1405 voortvloeiende aansprakelijkheid moet worden beperkt tot die vormen van schade welke als typische gevolgen van de instorting van het desbetreffende gebouw kunnen worden beschouwd en mitsdien behoren tot het normale voor een eigenaar aan een dergelijke gebeurtenis verbonden risico;

Andere relevante jurisprudentie