Spaarbank Rivierenland/Gispen-arrest


Onderwerpen ‐ Bezwaring vorderingen, specificatie
Artikelen ‐ Artikel 3:239 BW en artikel 3:94 BW

De feiten

De Bank heeft in 1988 aan Litho House BV krediet verleend. In het kader van de kredietverlening is tussen de Bank en Litho House op 19 juli 1988 een stamcessie-overeenkomst gesloten, krachtens welke overeenkomst Litho House tot en met 31 december 1991 regelmatig bij afzonderlijke cessielijsten haar vorderingen tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst aan de Bank cedeerde. Vanaf 1 januari 1992 is ingevolge het bepaalde in art. 86 Overgangswet NBW de verplichting tot zekerheidsoverdracht van de vorderingen geconverteerd in de verplichting die vorderingen aan de Bank te verpanden. Ter voldoening aan die verplichting heeft Litho House regelmatig vorderingen bij onderhandse akte voorzien van het opschrift 'Pandlijst (verpanding van vorderingen)', stil verpand aan de Bank.

In die akten wordt voor specificatie van de verpande vorderingen verwezen naar computerlijsten die door Litho House samen met de akten aan de Bank zijn toegezonden. De akten zijn te 's-Hertogenbosch op de voet van art. 3:239 lid 1 BW ter registratie aangeboden; de computerlijsten zijn niet ter registratie aangeboden. Op 19 mei 1992 is Litho House in staat van faillissement verklaard. De Bank heeft de kredietfaciliteiten op die datum met onmiddellijke ingang opgezegd. De Bank wenst tot verhaal van haar vordering over te gaan tot het innen van de op de computerlijst behorende bij de akte van 14 mei 1992 vermelde vorderingen, althans tot het innen van de vorderingen die zijn vermeld op de computerlijst behorende bij de akte van 5 mei 1992.

De curator verzet zich tegen de inning en stelt dat de akte niet voldoet aan de volgens de wetsgeschiedenis en ratio van art. 3:239 BW aan de onderhandse akte te stellen eisen, omdat de vorderingen onvoldoende omschreven zijn.

Rechtsvraag

Zijn de vorderingen voldoende omschreven in de onderhandse akte?

Overweging

De Rechtbank oordeelt dat het opzichzelf wel toelaatbaar is dat in de pandakte wordt verwezen naar een gespecificeerde opgave van de vorderingen, maar dat die specificatie dan moet worden aangehecht aan de akte dan wel tezamen met die akte ter registratie moet worden aangeboden.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank. In het wettelijk stelsel met betrekking tot de overdracht van, en vestiging van pandrecht op vorderingen op naam ligt besloten het vereiste dat de vordering ten tijde van de levering of verpanding in voldoende mate door de in art. 3:94 lid 1 respectievelijk art. 3:239 lid 1 bedoelde akte wordt bepaald.
Dit betekent echter niet dat de vordering in de akte zelf moet worden gespecificeerd door vermelding van bijzonderheden zoals de naam van de debiteur, het nummer van een factuur of een aan de debiteur toegekend cli├źntnummer. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Ook onder vigeur van het voor 1 januari 1992 geldende recht werd met betrekking tot akten van cessie van vorderingen op naam niet de eis gesteld dat de vordering in de akte zelf wordt gespecificeerd (vgl. HR 24 oktober 1980, NJ 1981, 265) en de geschiedenis van de totstandkoming en invoering van Boek 3 BW, zoals weergegeven in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 11, geeft geen grond voor de veronderstelling dat men op dit punt strengere eisen aan de akte van levering of verpanding heeft willen stellen.

Rechtsregel

In het wettelijk stelsel ligt met betrekking tot de overdacht van vorderingen op naam het vereiste besloten dat de vordering ten tijde van de levering in voldoende mate door de cessieakte wordt bepaald. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat.

Relevante artikelen

Art. 3:94 BW
Lid 1: Buiten de in het vorige artikel geregelde gevallen worden tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger.

Art. 3:239 BW
Lid 1: Pandrecht op een tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen recht dat niet aan toonder of order luidt, of op het vruchtgebruik van een zodanig recht kan ook worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan die personen, mits dit recht op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding.

Andere relevante jurisprudentie