Curacao/Erven Boye-arrest


Onderwerpen ‐ Uitleg beding
Artikelen ‐ n.v.t.

De feiten

Bij notariele akte van 10 maart 1880 verkocht Sprock een stuk grond (plantage Hermanus) aan Hellmund. In de akte stond het volgende voorbehoud:
ingeval op in of onder de gronden der hierbij verkochte goederen guano, phosphorzure kalk of ... worden ontdekt en uitgevoerd, moet aan den verkooper, zijne erven of regtverkrijgenden deswege worden betaald twee gulden voor elken uitgevoerde ton ...’
Hellmund heeft in 1891 de grond, met hetzelfde voorbehoud verkocht aan Boye. Hij heeft in 1893 de plantage doorverkocht met het voorbehoud jegens Sprock en een extra voorbehoud luidend:
‘en voorts onder voorwaarde dat aan den verkooper, zijne erfgenamen of rechtverkrijgenden, door den kooper ... zijne erfgenamen of rechtverkrijgenden een gulden vijftig cent moet betaald worden voor elken uit te voeren ton ..., op dezelfde wijze als betrekkelijk de grondrente ten behoeve van den Heer Sprock is bepaald.’

In de loop der tijd is de plantage nog meerdere malen verkocht waarbij steeds de bedingen zijn opgenomen in de koopakte. Hier kwam pas wijziging bij de laatste transactie tussen de toenmalige verkoopster NV AR-CU en de koper het Eilandgebied. In de akte stond het volgende:
‘Art. 5: de verkoopster garandeert dat aan haar geen persoonlijke verplichtingen zijn opgelegd en door haar geen zodanige verplichtingen zijn nagekomen.’

De woorden die in de akte van aankoop door AR-CU op deze zin volgden: ‘... dan in de aanhef sub d vermeld.’ (de bedingen ten behoeve van Sprock en Boye waren daar omschreven) ‘De verkoopster legt (deze verplichtingen) aan de koopster op, welke ... door koopster worden aanvaard’ zijn thans weggelaten.

Rechtsvraag

Handelt het Eilandgebied jegens de erven van Boye onrechtmatig door zich niet te houden aan het indertijd door de erflater Boye gemaakte beding?

Overweging

Zowel de Rechter in Eerste Aanleg als het HvJ Nederlandse Antillen hebben deze vraag bevestigend beantwoord.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het HvJ Nederlandse Antillen. Zie rechtsregel.

Rechtsregel

Of het Eilandgebied verplicht was het beding te eerbiedigen kan slechts worden vastgesteld aan de hand van de verdere omstandigheden van het onderhavige geval, zoals het antwoord op de vragen of het Eilandgebied bij de aankoop van de plantage in 1974 het beding kende en zich van de strekking van het beding, zoals naderhand door het hof uitgelegd, bewust was en of te dier zake toen op het Eilandgebied een onderzoeksplicht rustte, terwijl ook van belang kunnen zijn de ernst van het nadeel dat de erven Boye als gevolg van doorbreking van het beding lijden en de voorzienbaarheid van dit nadeel op het moment van de aankoop, als ook de mate waarin het Eilandgebied de wanprestatie van AR-CU NV heeft beinvloed en de rol die de mogelijkheid van het profiteren daarvan bij de aankoop van het goed voor het Eilandgebied heeft gespeeld.

Andere relevante jurisprudentie