Moluksche Evangelische Kerk/Clijnk-arrest


Onderwerpen ‐ Volmacht, schijn van vertegenwoordiging
Artikelen ‐ n.v.t.

De feiten

De Synode van de Moluksche Evangelische Kerk in Nederland heeft op 26 okt. 1960 de voorgenomen restauratie van het perceel Bazarstraat 50 te 's-Gravenhage goedgekeurd tot een bedrag van ƒ 37 840. Ds. W.H. Tutuarima, die tot 1 juli 1963 voorzitter was van de Synode en van het Algemeen Bestuur dier Kerk, thans eiseres, heeft namens de Kerk de verbouwing van het vorengenoemde perceel opgedragen aan L.G. Porsius, van beroep architect en handelende onder de naam Bouwbureau voorheen Porsius. Porsius heeft in of omstreeks de maand april 1961 Clijnk, thans verweerder, ‘ingeschakeld’ (r.o. 14 van het bestreden arrest). Porsius heeft met Clijnk geen aannemingsovereenkomst gesloten. Tussen Porsius en Clijnk is niet overeengekomen dat Clijnk de verbouwing voor een bepaalde som zou uitvoeren: de verbouwing zou in regie worden uitgevoerd door Clijnk en is door dezen in het tijdsverloop van 18 mei 1961 tot en met 14 april 1962, toen het werk door Clijnk is stilgelegd, in regie uitgevoerd (r.o. 14).

Clijnk heeft zijn kosten aan materiaal en arbeidsloon, waaronder ook zijn eigen loon, tijdens de loop van de verbouwingswerkzaamheden in rekening gebracht (r.o. 14). Het Hof heeft niet vastgesteld dat Clijnk deze kosten aan de Kerk in rekening heeft gebracht. Op zgn. certificaten van betaling, ondertekend door Porsius als ‘architect’ (r.o. 7), heeft de Kerk van 1 juli 1961 tot 1 febr. 1962 aan Clijnk als betalingen gedaan tot een bedrag van ƒ 45 000 in totaal (r.o. 17).
Korte tijd na 29 sept. 1961 heeft de Synode toestemming gegeven voor uitvoering tot een bedrag van ƒ 58 100 (r.o. 17). Eerst op 16 maart 1962, toen de werkzaamheden nagenoeg voltooid waren, heeft Clijnk vernomen van deze toestemming en van de goedkeuring als voormeld. Clijnk heeft, als oorspronkelijke eiser, gesteld dat hij door tussenkomst van het Bouwbureau voorheen Porsius te Edam van de Kerk de aanvankelijke niet nader gespecificeerde opdracht heeft verkregen voor de Kerk verbouwingswerkzaamheden uit te voeren en dat hij die opdracht heeft aanvaard. Hij meent dat hem ter zake van de door hem verrichte werkzaamheden een bedrag van ƒ 98 000,29 toekomt, brengt daarop aanbetalingen ad ƒ 43 000 in mindering en stelt dat hem uit dien hoofde ƒ 55 000,29 toekomt, vermeerderd met een bedrag van ƒ 2 692,24; op dit laatste bedrag maakt hij aanspraak ‘ter zake van aandeel winst onderaannemers’.

Rechtsvraag

Heeft de Kerk een volmacht verleent aan Porsius?

Overweging

De Rechtbank heeft niet bewezen geacht het door Clijnk gestelde feit dat de Kerk aan het Bouwbureau v/h Porsius volmacht heeft gegeven om aan Clijnk opdracht te geven voor rekening van de Kerk verbouwingswerkzaamheden aan het hogergemelde perceel uit te voeren.
Het Hof heeft het eindvonnis van de Rechtbank vernietigd en de Kerk veroordeeld tot betaling.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van de Kerk en houdt het vonnis van het Hof in stand. De schijn van vertegenwoordiging waarop derden mogen afgaan kan niet slechts door een doen, doch onder omstandigheden ook door een niet-doen worden gewekt. Het Hof heeft bij het door het Hof bedoelde niet-doen van de kerk blijkbaar gedacht aan de omstandigheid dat de Kerk, nadat Portius de verbouwingsopdracht had gekregen, die verbouwing geheel aan Porsius heeft overgelaten en geen maatregelen heeft genomen die er toe konden leiden dat Clijkn van de achtereenvolgens door de Kerk aan de verbouwingskosten gestelde limieten op de hoogte werd gewekt.

Rechtsregel

De schijn van vertegenwoordiging waarop derden mogen afgaan kan niet slechts door een doen, doch onder omstandigheden ook door een niet-doen worden gewekt.

Andere relevante jurisprudentie