Hartendorp/Kooij-arrest


Onderwerpen ‐ Opschortingsrecht, koopovereenkomst
Artikelen ‐ n.v.t.

De feiten

Hartendorp heeft van Kooij een huis gekocht. De overdracht zou uiterlijk op 7 september 2005 plaatsvinden. Hartendorp heeft echter op 5 september de met het transport belaste notaris verzocht om enkele maanden uitstel omdat de toereikende financiering nog niet was verkregen. Kooij heeft Hartendorp op 13 september ingebreke gesteld wegens het niet-verschijnen op 7 september en Hartendorp voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om op 21 september 2005 het transport te effectueren. Op deze dag bleek het huis echter niet in de omstandigheid was geleverd te kunnen worden. Een later heeft Kooij aan Hartendor meegedeeld dat zij overging tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst omdat Hartendorp niet bij de notaris was verschenen en niet over voldoende financiele middel beschikte. Hartendorp heeft op haar beurt Kooij bij brief van 6 oktober 2005 ingebreke gesteld en haar tot en met 13 oktober 2005 de tijd gegeven om aan de koopovereenkomst te voldoen.

Rechtsvraag

Welke partij kan zich op zijn opschortingsrecht beroepen en derhalve de overeenkomst ontbinden en schadevergoeding vorderen?

Overweging

De Rechtbank en het Hof stellen dat de verkoper de opschortingbevoegdheid toekomt.
De Hoge Raad stelt voorop dat het opschortingsrecht niet komt te vervallen op de enkele grond dat de andere partij de overeenkomst feitelijk eerder ontbindt of eerder nakoming vordert. Een beroep op een opschortingsrecht kan in beginsel steeds worden gedaan door de schuldenaar, ook wanneer de schuldeiser in rechte een vordering tot nakoming instelt. In dit geval konden beide partijen onafhankelijk van elkaar op het beslissende tijstip nakomen. In een zodanig geval moet worden aangenomen dat beide partijen op grond van de tekortkoming in de nakoming van de prestatie van de ander bevoegd zijn tot ontbinding. Het doet er dan niet toe bij welke partij de nakoming het eerst hokt, omdat de beantwoording van die vraag slechts zin heeft indien (ten minste) een van beide partijen wel tot nakoming in staat is maar die nakoming opschort vanwege het niet presteren van de andere partij. Bij een gelijktijdige wederzijdse tekortkoming kan dus geen der partijen zich op opschorting beroepen en kan elk der partijen de overeenkomst ontbinden.

Rechtsregel

Nu de bevoegdheid tot opschorting moet worden gezien als een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een tegenvordering die hij op zijn schuldeiser heeft, kan een beroep op een opschortingsrecht in beginsel steeds worden gedaan door de schuldenaar, ook wanneer de schuldeiser in rechte een vordering tot nakoming instelt: het enkele feit dat nog geen beroep op een opschortingsrecht is gedaan betekent dan ook niet dat de buitengerechtelijke ontbinding waartoe de wederpartij is overgegaan niet meer met dat verweermiddel kan worden bestreden. Ingeval partijen gehouden zijn tot 'gelijk oversteken' maar onafhankelijk van elkaar op het beslissende tijdstip geen van beide kunnen nakomen, zijn beide partijen op grond van de tekortkoming in de nakoming van de prestatie van de ander bevoegd tot ontbinding. Het doet er dan niet toe bij welke partij de nakoming het eerst hokt.

Andere relevante jurisprudentie