Saelman / Academisch Ziekenhuis VU-arrest


Onderwerpen ‐ Verjaringstermijn, aanvang
Artikelen ‐ Artikel 3:310 BW

De feiten

Ouders vorderen namen hun kind schadevergoeding wegens tekortschietend medisch handelen. Zij voeren aan dat zij in 1994 in gesprek met een arts hebben vernomen dat de bij de geboorte in 1987 opgetreden hersenbeschadiging van hun kind mede is veroorzaakt door te laat ingrijpen van de behandelend arts en dat derhalve de verjaringstermijn pas na dit gesprek een aanvang heeft genomen.

Rechtsvraag

Wanneer neemt de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW een aanvang?

Overweging

De Rechtbank oordeelde dat de rechtsvordering is verjaard.
Het Hof oordeelde dat de verjaringstermijn al bij de geboorte is begonnen te lopen, aangezien toen al duidelijk was dat hun kind een hersenbeschadiging had opgelopen en wie voor de ontstane schade aansprakelijk waren te stellen voorzover er aansprakelijkheid was, ook al wisten de ouders toen nog niet dat de behandelend arts en het ziekenhuis voor de ontstane schade aansprakelijk konden worden gesteld. De rechtsvordering is dien ten gevolge verjaard.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof. Zie rechtsregel.

Rechtsregel

De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW vangt aan op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat indien iemand bij zijn geboorte lichamelijk letsel heeft opgelopen dat door het natuurlijk verloop van de zwangerschap en bevalling zou kunnen zijn veroorzaakt, de korte verjaringstermijn pas begint te lopen zodra hij of diens wettelijke vertegenwoordiger voldoende zekerheid — die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn — heeft gekregen dat het letsel (mede) is veroorzaakt door tekortschietend of foutief medisch handelen.

Relevante artikelen

Art. 3:310 BW
Lid 1: Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als me de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.

Andere relevante jurisprudentie