TvC/Pannon-arrest


Onderwerpen ‐ Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, bevoegde rechter
Artikelen ‐ n.v.t.

De feiten

Het gaat in deze zaak om een verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het verzoek was ingediend in het kader van een geding tussen de onderneming Pannon GSM Zrt. en E. Sustikné Györfi over de uitvoering van een tussen beide partijen gesloten contract voor een telefoonabonnement. Eén van deze voorwaarden was dat uit het abonnementscontract voortvloeiende of daarmee verband houdende rechtsgeschillen behoren tot de bevoegdheid van de rechter van de plaats van vestiging van Pannon. Nadat Sustikné Györfi verzuimde te betalen heeft Pannon op grond van dat beding voor de rechter van plaats van vestiging een betalingsbevel gevorderd. Het bevel werd afgegeven en Sustikné Györfi tekende hier tegen verzet aan. De rechter stelde vast dat Sustikné Györfi niet in zijn ressort gelegen was en dat een andere rechter bevoegd was. Naar aanleiding daarvan stelde de rechter de volgende prejudiciële vragen.

Rechtsvraag

1. Kan artikel 6 lid 1 van richtlijn 93/13 – de lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden – aldus worden uitgelegd dat een oneerlijk beding van een verkoper niet vanzelf onverbindend is, maar alleen wanneer de consument dat oneerlijke beding met succes betwist via een daartoe ingediend verzoek?

2. Verlangt de door richtlijn 93/13 gewaarborgde consumentenbescherming dat de nationale rechter – ongeacht de aard van de procedure, al dan niet op tegenspraak -, ook wanneer geen daartoe strekkend verzoek is ingediend, dat wil zeggen zonder dat het oneerlijke karakter van het beding wordt betwist ambtshalve toetst of de hem overgelegde overeenkomst oneerlijke bedingen bevat, en aldus in het kader van de toetsing van zijn eigen bevoegdheid de door de verkoper opgestelde bedingen ambtshalve onderzoekt?

3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: welke factoren moet de nationale rechter bij die toetsing dan in aanmerking nemen en afwegen?

Overweging

mbt. 1: Art. 6 lid 1 van de richtlijn kent aan de consument een recht toe, gezien het feit deze zich in een zwakke onderhandelingspositie bevindt ten opzichte van de verkoper en minder invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van de voorwaarden. Een doeltreffende bescherming van consumenten tegen de onredelijke bedingen kan dan alleen worden verzekerd indien de nationale rechter de bevoegdheid wordt toegekend een dergelijk beding ambtshalve te toetsen, dus zonder verzoek daartoe van de consument.

mbt. 2: De bescherming die de richtlijn verleent strekt zich ook uit tot de gevallen waarin de consument zich niet op het oneerlijke karakter van dat beding beroept, hetzij omdat hij zijn rechten niet kent, hetzij omdat de kosten van een vordering in rechte hem afschrikken om zijn rechten geldend te maken.
De aard en het gewicht van het openbare belang, waarop de door de richtlijnen aan de consument verschafte bescherming berust, rechtvaardigen dat de nationale rechter ambtshalve dient te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is en aldus het tussen de consument en de verkoper bestaande gebrek aan evenwicht dient te compenseren.
Bij de uitvoering van de verplichting is de nationale rechter op grond van de richtlijn evenwel niet gehouden, het betrokken beding buiten toepassing te laten wanneer de consument, na in kennis te zijn gesteld door die rechter, voornemens is het oneerlijke en niet-bindende karakter daarvan niet in te roepen.

mbt. 3: artikel 3 van de richtlijn met een verwijzing naar de begrippen goede trouw en aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen slechts in abstracto de elementen omschrijft die een oneerlijk karakter geven aan een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. De bijlage van art. 3 bevat slecht een indicatieve en niet-uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt. Art, 4 bepaald dat alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking moeten worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Het bedings in casus voldoet aan allee criteria om op grond van de richtlijn als oneerlijk te kunnen worden aangemerkt.

Rechtsregel

1) Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, moet aldus worden uitgelegd dat een oneerlijk contractueel beding de consument niet bindt en dat het daarvoor niet nodig is dat de consument een dergelijk beding tevoren met succes heeft betwist.

2) De nationale rechter is gehouden, ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Acht hij een dergelijk beding oneerlijk, dan laat hij het buiten toepassing, tenzij de consument zich hiertegen verzet. De nationale rechter is daartoe ook verplicht wanneer hij onderzoekt of hij ratione loci bevoegd is.

3) Het staat aan de nationale rechter om vast te stellen of een contractueel beding als het beding dat in het hoofdgeding aan de orde is, voldoet aan de criteria om als oneerlijk in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 te worden aangemerkt. Hierbij moet de nationale rechter rekening ermee houden dat een beding in een tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, dat is opgenomen zonder dat daarover afzonderlijk is onderhandeld en dat de rechter van de plaats van vestiging van de verkoper bij uitsluiting bevoegd verklaart, als oneerlijk kan worden aangemerkt.

Andere relevante jurisprudentie

Hof Datum Vindplaats Naam Onderwerp
HR 07/03/1969 NJ 1969, 249 Gegaste Uien Gebondenheid aan de overeen... +
HR 10/04/1981 NJ 1981, 532 Hofland/Hennis Aanbod en aanvaarding, adve... +
HR 11/12/1959 NJ 1960, 230 Eelman/Hin Totstandkoming overeenkomst... +
HR 12/09/1989 NJ 1987, 267 Westhoff/Spronsen Ontslagneming, onderzoekspl... +
HR 30/01/1959 NJ 1959, 548 Quint/Te Poel Bronnen van verbintenissen +
HR 27/04/2007 NJ 2007, 262 Bart Smit/Intrahof Matiging boetebeding +
HR 12/06/1979 NJ 1979, 362 Securicor Geen partij bij totstandkom... +
HR 04/02/2000 NJ 2000, 258 Kinheim/Pelders Wijziging overeenkomst +
HR 29/01/1993 NJ 1994, 172 Vermobo/Van Rijswijk Contractuele relatie, onger... +
Hof 22/01/2008 NJF 2008, 79 Otto overeenkomst; onderzoeksplicht +
HR 08/09/2000 NJ 2000, 734 Baby Joost Schadevergoeding/smartengeld +
HR 02/12/2011 NJ 2011/574 Linthorst/Echoput Gelding van algemene voorwa... +
HR 08/02/2013 LJN BY4600 Van de Steeg/Rabobank Onderzoeksplicht en klachtp... +
HR 21/02/2003 NJ 2004, 567 Weever Stous/Stichting Park... verbintenissenrecht, koopov... +
HR 28/03/2008 NJ 2009, 578 Dexia vernietiging door art. 1:89 BW +
HR 15/04/1994 NJ 1995, 614 Schirmeister/De Heus (Oldti... Beantwoording zaak aan over... +
HR 14/06/2002 NJ 2002, 495 Geldnet/Kwantum Aansprakelijkheid bij hulpp... +
HR 14/06/2002 NJ 2003, 112 Bramer/Hofman Algemene voorwaarden, redel... +
HR 09/01/1998 NJ 1998, 272 Brok/Huberts Aansprakelijkheid bij non-c... +
HR 11/01/2002 NJ 2003, 255 Schwartz/Gnjatovic Ontbinding van een overeenk... +
HR 05/02/2010 NJ 2010, 294 Rodewijk/Bouwman Goede trouw bij bezit van e... +
HR 12/12/1997 NJ 1998/208 Stein/Driessen Beroep op exoneratieclausul... +
HR 25/03/2011 RvdW 2011, 419 Ploum/Smeets en Geelen Tank... Termijn klachtplicht bij no... +
HR 04/02/2000 NJ 2000, 562 Mol/Meijer Garanties, ontbinding +
HR 21/06/1991 NJ 1991, 742 Mattel/Borka Beëindiging duurovereenkoms... +
HR 31/01/1997 NJ 1998, 704 De Globe/Groningen Schadevergoeding bij onbevo... +
HR 20/01/2012 NJ 2012, 60 AgfaPhoto Finance/Foto Noort Samenhang tussen overeenkom... +
HR 20/01/2012 NJ 2012, 59 Wierts/Visseren (leistenen ... Tekortkoming in de nakoming... +
HR 10/08/2012 Nj 2012, 486 Pocorni/Defam Verjaring, samenhang overee... +
HR 27/11/1999 NJ 1999, 380 Van der Meer/Beter Wonen Ontbreken van ingebrekestel... +
HR 05/04/2013 NJ 2013, 214 Lundiform/Mexx Uitleg van commerciële over... +
HR 05/01/2001 NJ 2001, 79 Multi-Vastgoed/Nethou (plaz... Tekortkoming: keuze tussen ... +
HR 23/01/1998 NJ 1999, 97 Jans/Fiat Credit Nederland Verbondenheid overeenkomste... +
HR 13/11/1936 NJ 1937, 433 Moorman/Bureau Materiaalstaat Iustum pretium-leer +
HR 17/09/2010 RvdW 2010, 1051 Van Mierlo/Onder de Groene ... Opschortingsrecht +
HR 19/02/2010 LJN BK7671 ING Bank/Bera Holding Onbevoegde vertegenwoordigi... +
HR 28/10/2011 LJN BQ9854 Gemeente de Ronde Venen/SNU... Opzegging duurovereenkomsten +
HR 09/12/2011 NJ 2013, 273 Schriftelijkheidsvereiste b... Schriftelijkheidseis van ar... +
HR 20/04/2012 LJN BV5555 Van der Vliet & De Waal/Van... Kwalitatieve rechten & verp... +
HR 20/02/1976 NJ 1976, 486 Pseudo-vogelpest Exoneratiebeding, redelijkh... +
HR 17/01/2014 NJ 2014/236 Mevrouw X/Dakdekkersbedrijf Y Opschortingsrecht +