Hendrikx/Peters-arrest


Onderwerpen ‐ Ingebrekestelling, opschortingsrecht
Artikelen ‐ Artikel 6:262 BW

De feiten

Op 17 april 1989 is er een huurovereenkomst gesloten tussen Peters (verhuurder) en Hendrikx (huurder) voor de huur van een bedrijfspand. In 1990 woedt er een brand in het bedrijfpand. Na de brand heeft Peters het bedrijfspand niet in oude staat hersteld, waardoor Hendrikx het pand niet gehaal kan gebruiken. In 1992 neemt v.o.f. Gebroeders Hendrikx de huurovereenkomst over van Hendrikx. De v.o.f was van de brand op de hoogte en van het feit dat het pand niet in de oude staat hersteld was. De prijs van de huur was hier echter niet door gedaald. Tot 1 mei 1993 betaald v.o.f. Gebroeders Hendrikx de huur. Eind juni 1993 heeft Peters de v.o.f gesommeerd tot het betalen van achterstallig onderhoud. De v.of. beroept zich op een opschortingsrecht, want Peters is ondanks zijn daartoe strekkende verplichtingen en toezegging niet overgegaan tot herstel van de brandschade zodat het bedrijfspand weer volledig gebruikt kon worden. Peters vordert ontbinding van de overeenkomst bij de kantonrechter.

Rechtsvraag

Moet de huurder voordat hij een beroep doet op het opschortingsrecht eerst een ingebrekestelling versturen?

Mag op ieder moment, dus ook tijdens een gerechtelijke procedure, een beroep worden gedaan op het opschortingsrecht?

Overweging

De Kantonrechter heeft de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden. De Kantonrechter wijst het beroep op een opschortingsrecht van Hendrikx af omdat Hendrikx zich daar pas in de procedure in eerste aanleg op heeft beroepen.
Naar het oordeel van de Rechtbank kan het beroep van Hendrikx op het opschortingsrecht niet voor het eerst in de procedure in eerste aanleg worden voorgedragen. Hendrikx heeft voorafgaan Peters immers niet in verzuim gesteld en ook niet op sommaties van Peters gereageerd. Hendrikx is ten onrechte haar verbintenis tot betaling van de huur niet meer nagekomen. De rechtbank is van oordeel dat de kantonrechter de overeenkomst terecht ontbonden heeft verklaard.
De Hoge Raad is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en de rechtbank. Art. 6:262 lid 1 BW houdt in dat indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. Daartoe is geen voorafgaande ingebrekestelling vereist. De Rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat de huurster slechts een beroep op opschorting van haar verplichting tot huurbetaling toekomt, indien zij voorafgaand aan dat beroep Peters in gebreke zou hebben gesteld. De bevoegdheid tot opschorting moet worden gezien als een verweermiddel van de schuldenaar in verband met een tegenvordering die hij op zijn schuldeiser heeft. Hieruit volgt dat een beroep op een opschortingsrecht in beginsel steeds kan worden gedaan door de schuldenaar, ook wanneer de schuldeiser in rechte een vordering tot nakoming instelt. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de Rechtbank.

Rechtsregel

Indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt, is de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verbintenis op te schorten; daartoe is geen voorafgaande ingebrekestelling vereist. Dat de huurster vóór de procedure geen beroep heeft gedaan op een opschortingsrecht staat niet eraan in de weg dat zij zich tijdens de procedure alsnog op een opschortingsrecht beroept.

Relevante artikelen

Art. 6:262 BW
Lid 1: Komt een der partijen haar verbintenis niet na, dan is de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten.

Andere relevante jurisprudentie