Zandvoortse woonruimtevordening-arrest


Onderwerpen ‐ Verbod van détournement de pouvoir
Artikelen ‐ Artikel 3:3 Awb

De feiten

Burgemeester van Zandvoort (eiser) heeft de hoofdwoning en het daarbij behorende vakantiehuisje gevorderd waarvan J. van Spiegelen (verweerder) eigenaar is o.g.v. de Woonruimtewet. Verweerder heeft een kort geding aangespannen.

Rechtsvraag

Heeft de burgemeester misbruik gemaakt van zijn vorderingsbevoegdheid gegeven in Vorderingsbesluit Woonruimte?

Overweging

Rechtbank Haarlem

Heeft verweerder in gelijk gesteld i.v.m. het vakantiehuisje, maar heeft de eis wat betreft de hoofdwoning afgewezen.

Hof

Vonnis van de Rb vernietigd en verweerder in het geheel in het gelijk gesteld. Eiser is hiertegen in cassatie gegaan bij de HR.

HR

Art. 33 lid 3 sub c Woonruimtewet 1947: als een vordering van kracht was onder het Vorderingsbesluit Woonruimte werden de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen voortaan naar het nieuwe recht beoordeeld. De vraag of de vordering bevoegdelijk en rechtmatig is gedaan, valt uitsluitend naar het ten tijde van de vordering geldende recht te beoordelen. Al laat het Vorderingsbesluit Woonruimte naar zijn tekst de Burgemeester bij het uitoefenen van de hem toegekende bevoegdheid een niet beperkte vrijheid wat betreft de beoordeling welk perceel voor vordering in aanmerking komt, toch mag hij van deze bevoegdheid niet een ander gebruik maken dan tot de doeleinde waarvoor die bevoegdheid is gegeven.

Doel van het vorderingsbesluit: het bevorderen van een doelmatige verdeling van de woongelegenheid. Laat de burgemeester zich bij het vorderen van een bepaalde woning leiden door andere drijfveren dan die welke naar de strekking van de wet bij de keuze van het te vorderen object in aanmerking mogen komen, dan maakt hij van zijn vorderingsbevoegdheid een ander gebruik dan tot de doeleinden, waarvoor zij is gegeven. Het motief dat voor de woning een te hoge huur in rekening werd gebracht strookt niet met doel en strekking van het vorderingsbesluit.

Rechtsregel

De HR hanteert voor de eerste keer het criterium van detournement de pouvoir bij de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van optreden door de overheid als zodanig. Daarmee werd erkend dat dergelijk optreden ook gebonden is aan ongeschreven behoorlijkheidsnormen.
Detournement de pouvoir: de bevoegdheden die de wet aan bestuursorgaan toekent, moet hij in overeenstemming met het doel en de strekking van de wet gebruiken.

Relevante artikelen

Art. 3:3 Awb
Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

Andere relevante jurisprudentie