De Bont/Oudenallen Betonbouw-arrest


Onderwerpen ‐ Aansprakelijkheid werkgever, woon-werkverkeer
Artikelen ‐ Artikel 7:658 BW en artikel 6:248 BW

De feiten

De werknemer is als betontimmerman in dienst van een landelijk werkend bouwbedrijf. Om naar de verschillende werklocaties te kunnen komen maakt hij gebruik van zijn eigen auto, voor welk gebruik hij maandelijks toeslagen ontvangt. Als hij samen met drie andere collega’s met de auto op weg is naar een project ontstaat er door de schuld van de werknemer een ongeluk waardoor zijn drie collega’s en hij gewond raken en de auto geheel vernield wordt. De WAM-verzekaar van de werknemer vergoedt de schade gelden door de collega’s, maar niet de schade aan de auto en de letselschade van de werknemer. De werknemer vordert vervolgens dat de werkgever aansprakelijk is ter zake van de schade die de werknemer door het ongeval heeft geleden.

Rechtsvraag

Is de werkgever aansprakelijk voor de door de werknemer geleden schade?

Overweging

De Kantonrechter en de Rechtbank wijzen de vordering van de werknemer af, omdat zij van oordeel waren dat het ongeval niet plaatsvond tijdens de werkuren of in de uitoefening van de aan de werknemer opgedragen werkzaamheden, maar tijdens het woon-werkverkeer.
De Hoge Raad is het eens met de overweging dat art. 7:658 BW niet van toepassing is op het geval waarin een werknemer bij het besturen van zijn eigen auto op weg naar zijn werk een verkeersongeval veroorzaakt heeft.
Dit betekent echt niet dat de werkgever niet op een andere grond jegens de werknemer aansprakelijk kan zijn. In dit geval was de werknemer aangewezen om met zijn eigen auto het vervoer te verzorgen van zichzelf en de andere collega’s en hij kreeg hiervoor ook toeslagen. In een dergelijk geval moet het vervoer worden gekwalificeerd als vervoer dat op één lijn te stellen is met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Daaruit vloeit voort dat de werkgever, gezien de aard van de arbeidsovereenkomst en de eisen van de redelijkheid en billijkheid, in beginsel de niet gedekte schade heeft te dragen behoudens in het geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, waar in dit geval geen sprake is.
Het vonnis van de Rechtbank kan niet in stand blijven.

Rechtsregel

Een werkgever kan ook op een andere grond dan art. 7:658 BW aansprakelijk zijn jegens de werknemer. In een geval evenwel dat hierdoor wordt gekenmerkt dat de werknemer in verband met een door zijn werkgever aanvaarde opdracht is aangewezen om met zijn eigen auto het vervoer te verzorgen van zichzelf en van enkele medewerknemers naar de, ver van zijn woonplaats verwijderde, plaats waar zij hun werkzaamheden moeten uitvoeren en dat hij in verband daarmee (op grond van de toepasselijke CAO-bepalingen) een reisurenvergoeding, een autokostenvergoeding en een meerijdersvergoeding ontvangt, moet het vervoer worden gekwalificeerd als vervoer dat op één lijn is te stellen met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Daaruit vloeit voort dat de werkgever gezien de aard van de arbeidsovereenkomst en de eisen van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW in beginsel de niet door een verzekering gedekte schade die de werknemer lijdt doordat hij tijdens het vervoer een verkeersongeval heeft veroorzaakt, heeft te dragen behoudens in geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Relevante artikelen

Art. 6:248 BW:
Lid 1: Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

Art. 7:658 BW:
Lid 1: De werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
Lid 2: De werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantaant dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

Andere relevante jurisprudentie