Oryx/ Van Eesteren-arrest


Onderwerpen ‐ Goederenrechtelijke werking, overdraagbaarheid vorderingen
Artikelen ‐ Artikel 3:82 BW

De feiten

Oryx verschaft een geldlening aan Elands waar tot zekerheid voor de terugbetaling Elands een pandrecht aan Oryx verschaft op alle dan bestaande en nog te verkrijgen vorderingen van Elands. Op een gegeven ogenblik krijgt Elands een opdracht van EVN. In deze schriftelijke overeenkomst is een bepaling opgenomen die het Elands verbiedt om uit de overeenkomst voortvloeiende vorderingen te cederen, te verpanden of in eigendom over te dragen. Elands verpand echter wel een op die betrekking hebbende vordering ten behoeve van Oryx. Oryx vordert voldoening van die vordering van EVN.

Rechtsvraag

Heeft het verbod van verpanding goederenrechtelijke werking?

Overweging

De rechtbank en het Hof hebben beiden Oryx haar vorderingen ontzegd en dus geoordeeld dat het verpandingsverbod in weg staat aan de geldigheid van de verpanding van de vordering. Het feit dat Oryx niet op de hoogte was van het verpandingsverbod en te goeder trouw uitging van de beschikkingsbevoegdheid van Elands kunnen haar niet baten en een beroep op art. 3:36 BW slaagt ook niet.
De Hoge Raad volgt het oordeel van de rechtbank en het Hof. Het verpandingsverbod staat in de weg aan de geldigheid van de verpanding en het feit dat Oryx niet op de hoogte was van het verbod noch art. 3:36 BW kunnen tot een ander oordeel leiden. Art. 3:83 lid 2 BW brengt immers met zich mee dat de overdraagbaarheid van een vordering kan worden uitgesloten door een beding als in casu is gemaakt. Overdracht in strijd met zo’n beding levert niet slechts wanprestatie van de gerechtigde tot de vordering tegenover zijn schuldenaar op, maar heeft tot gevolg dat de overdacht ongeldig is.
Krachtens art. 3:98 geldt dit ook voor verpanding.
Daaruit volgt in dit geval dat de vordering ten gevolge van het verpandingsverbod niet kan worden verpand. Of Oryx ten tijde van de verpanding op de hoogte was van het verpandingsverbod, doet niet terzake. Een beroep op art. 3:88 jo. art. 3:239 lid 4 BW faalt omdat hier geen sprake is van onbevoegdheid die voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdacht. Ook komt Oryx geen beroep toe op art. 3:36 BW, omdat zij in deze niet is afgegaan op een verklaring of gedraging van de debiteur van de vordering, zij is alleen afgegaan op die van Elands.

Rechtsregel

Het verpandingsverbod staat in de weg aan de geldigheid van verpanding. Art. 3:83 lid 2 BW brengt met zich mee dat de overdraagbaarheid van een vordering kan worden uitgesloten. Overdracht in strijd met zo’n beding levert niet slechts wanprestatie van de gerechtigde tot de vordering tegenover zijn schuldenaar op, maar heeft ongelding van die overdracht tot gevolg. Krachtens art. 3:98 geldt dit ook voor verpanding.

Relevante artikelen

Art. 3:83 BW:
Lid 2: De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeisers en schuldenaar worden uitgesloten.

Andere relevante jurisprudentie