Uitslag/Wolterink (Gestolen caravan)-arrest


Onderwerpen ‐ Onroerende zaken, duurzaam met de grond verenigd, goede trouw
Artikelen ‐ Artikel 3:86 BW

De feiten

Uitslag heeft in september 1992 een caravan gekocht van Wolterink. Uiteindelijk blijkt dat de onderneming (Koster) waarvan Woltering de caravan had gekocht, de caravan (die ze gebruikte als kantoor) had gestolen van de toenmalige eigenaar. De schadeverzekaar van de toenmalige eigenaar eist de caravan bij Uitslag op en Uitslag voldoet. Vervolgens heeft Uitslag de koopovereenkomst tussen hem en Wolterink buitengerechtelijk ontbonden en vordert schadevergoeding wegens het tekortschieten van Woltering in zijn verplichting tot verschaffing van de eigendom. Uitslag stelt dat Wolterink zich niet kan beroepen op art. 3:86 BW omdat de caravan (de verkoopruimte) niet duurzaam met de grond is verenigd.

Rechtsvraag

Kan Wolterink zich beroepen op de bescherming van art. 3:86 lid 3 BW, in welk geval van een tekortkoming geen sprake is en Uitslag de koopovereenkomst niet kan ontbinden?

Overweging

De rechtbank en het Hof wijzen de stelling van Uitslag af en nemen aan dat Wolterink indertijd te goeder trouw was. Volgens het Hof bestond er voor Wolterink geen reden om er niet op te mogen vertrouwen dat het hier ging om normale handel waarbij hij geen gestolen zaken behoefde te verwachten, en er dus ook geen reden was de transactie tussen Koster en Wolterink van de bescherming van art. 3:86 lid 3 BW uit te sluiten. De als verkoopruimte gebruikte caravan was tot aan de grond afgewerkt met hout en het geheel oogde als een houten bouwwerk, het was niet aannemelijk dat de caravan gemakkelijk kan worden weggevoerd, hoewel zulks ook weer niet geheel onmogelijk zijn, en er was geen sprake van ‘eendagshandel’, maar van een zekere mate van continuïteit.
Dat de tot de verkoopruimte dienende caravan niet duurzaam met de grond is verenigd, is daarvoor, onvoldoende.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof geen blijk heeft gekregen van een onjuiste rechtsopvatting en verwerpt het beroep.

Rechtsregel

Het enkele feit dat de caravan niet duurzaam met de grond was verenigd, is niet voldoende om de bescherming van art. 3:86 lid 3 BW te ontkennen. De caravan kan in dit geval voor de bescherming van art. 3:86 lid 3 BW in het licht van de omstandigheden van het geval met een onroerende zaak gelijk gesteld worden.

Relevante artikelen

Art. 3:86 BW:
Lid 1: Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.
Lid 3: Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als zijn eigendom opeisen, tenzij:
a. de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde; of
b. het geld dan wel toonder-of orderpapier betreft.