Kwantumhal Venlo-arrest


Onderwerpen ‐ Marginale toetsing, verbod van willekeur
Artikelen ‐ Artikel 3:4 Awb

De feiten

Kwantum Nederland b.v. wil een winkel openen op het industrieterrein ‘De Veegtes’ in Venlo. Het geldende bestemmingsplan staat detailhandel op die plek niet toe, maar biedt wel de mogelijkheid dat vrijstelling van dat verbod wordt verleend door burgemeester en wethouders.

De vraag of B&W ertoe zouden moeten overgaan in dit geval een vrijstelling te verlenen, wordt gecompliceerd doordat er vergevorderde plannen bestaan om ter plaatse een ‘woonthemacentrum’ te vestigen. De gemeenteraad zal moeten oordelen over de bestemmingsplanwijziging die nodig is voor de vestiging van het woonthemacentrum.
B&W van Venlo verlenen de vrijstelling. Tegen dat besluit komen Maxis b.v., Praxis Vastgoed b.v. en Praxis Doe-het-zelf Center b.v. (kort gezegd: ‘Maxis en Praxis’) op. De procedure bij de rechtbank wordt door Maxis en Praxis gewonnen. De rechtbank acht het met name bezwaarlijk dat B&W door het verlenen van de vrijstelling een voorschot nemen op de binnen afzienbare tijd te verwachten besluitvorming door de gemeenteraad over het woonthemacentrum. De rechtbank concludeert dan, dat de nadelige gevolgen van het besluit tot verlening van de onderhavige vrijstelling voor Maxis en Praxis onevenredig zijn ten opzichte van de met dat besluit te dienen doelen. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in art. 3:4 lid 2 Awb.

Rechtsvraag

Wat betekent art. 3:4 lid 2 Awb voor de toetsing van de rechter in geval van discretionaire bevoegdheid van bestuursorganen?

Overweging

Afdeling
Keurde de benadering van de Rb af. De Rb heeft blijk gegeven volgens de Afdeling van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van het bepaalde bij art. 3:4 lid 2 Awb voor de toetsing door de rechter van de uitoefening voor het bestuur van een bevoegdheid als waar het hier om gaat.

Standpunt Afdeling:
a. De Afdeling noemt art. 3:4 lid 2 Awb ‘een tot het bestuur gericht voorschrift’.

b. De Afdeling geeft een wetshistorische interpretatie van art. 3:4 lid 2 Awb. De wetgever heeft met art. 3:4 lid 2 niet beoogd de rechterlijke toetsing te intensiveren ten opzichte van de toetsing van vóór de Awb. Het moet een terughoudende, ‘marginale’ toetsing blijven. De Afdeling gebruikt de term marginale toetsing niet, maar doelt daar onmiskenbaar op, onder andere doordat zij verwijst naar de dubbele ontkenning (‘niet onevenredig’) in de tekst van de bepaling zelf;

c. de conclusie van de Afdeling is, dat als de rechter het gebruik van een discretionaire bevoegdheid toetst, de rechter zich moet beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid dat moet worden geoordeeld dat het orgaan niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

Rechtsregel

Volgens de Afdeling heeft de invoering van art. 3:4 lid 2 Awb geen consequenties voor de rechter, omdat de bepaling bedoeld is voor het bestuur. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de rechter gewoon op dezelfde wijze moet blijven toetsen, en wel aan hetzelfde criterium als voorheen, namelijk aan het oude ‘verbod van willekeur’: het ‘niet in redelijkheid hebben kunnen komen tot . . .’. Zoals bekend is dat de formule die door de Hoge Raad werd neergelegd in het arrest Doetinchemse woonruimtevordering.

Belangrijke uitzondering op deze hoofdregel: Als het gaat om de beoordeling van besluiten over punitieve sancties moet de rechter zelf beoordelen of evenredigheid bestaat tussen de ernst van de overtreding en de zwaarte van de opgelegde sanctie.

In art. 3:4 lid 2 zit eigenlijk een dubbele boodschap. De boodschap aan het bestuur is: ‘u moet evenredigheid betrachten’, en die aan de rechter is: ‘u mag pas ingrijpen als die evenredigheid duidelijk zoek is’.

Conclusie: geen intensivering van de toetsing; de toetsing moet ‘marginaal’ blijven. Bij ‘marginale toetsing’ gaat het om de vraag of het bestuur een rechtens aanvaardbare beleidskeuze heeft gemaakt bij het afwegen van de relevante belangen. Ingeval aan een bestuursorgaan discretionaire bevoegdheid toekomt, moet de rechter terughoudend toetsen.

Relevante artikelen

Art. 3:4 Awb
1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Andere relevante jurisprudentie